Leve de pan-Europese MEGABANK

26-10-2007 | Auteur: Mathijs Bouman | Beeld: Aad Goudappel

Leve de pan-Europese MEGABANK

De naderende verkoop van ABN Amro maakt angstige reacties los. Maar tegenstribbelen heeft geen enkele zin. Het tijdperk van de nationale bank is ten einde, en dat valt alleen maar toe te juichen.

Er is een klein, plat, Europees landje aan zee waar vrijwel alle banken in buitenlandse handen zijn. Minder dan twee procent van de activa van de banksector is eigendom van ingezetenen. De rest is in een paar jaar tijd opgekocht door grote internationale banken.

Nederland in 2015? Nee hoor, het is Estland anno nu. Nadat het Baltische staatje zich in 1991 losmaakte van de Sovjet Unie en de financiële markt openstelde voor het buitenland, werd de ene na de andere lokale bank overgenomen. Vooral Scandinavische bankiers waren actief op de Estse markt. Hoogtepunt was vlak na de roebel- crisis in 1998 toen de twee grootste onafhankelijke banken, Hansapank en Eesti Ühispank, zo verzwakt waren dat de Zweedse banken Swedbank en SEB ze zonder protest konden overnemen.
Ook andere voormalig communistische landen hebben de sleutel van hun bankkluis zonder morren aan het buitenland overhandigd. In Tsjechië is nog maar vier procent van het bankvermogen in binnenlandse handen, zo blijkt uit cijfers van de Europese Centrale Bank. In Slowakije is dit zeven procent en in Litouwen acht procent.


Vergeleken met deze percentages is bankieren in West-Europa een puur nationale aangelegenheid. Alleen Finland komt enigszins in de buurt. Daar is nog maar een kleine veertig procent van de banktegoeden in eigen handen. In de andere ‘oude' EU-lidstaten ligt dat percentage boven de zeventig procent. In Nederland is volgens de ECB maar liefst meer dan negentig procent van het bankvermogen binnenlands bezit. Daarmee hoort het land bij de koplopers van Europa. Of de achterblijvers, het is maar hoe je het bekijkt.


Buitenlandse nukken


De aanstaande verkoop van ABN Amro komt daarmee in een ander daglicht te staan. Als je afgaat op sommige commentatoren, komt het na het verdwijnen naar het buitenland van de grootste bank van Nederland nooit meer goed met de vaderlandse economie. Zonder ABN Amro is het Nederlandse bedrijfsleven overgeleverd aan de nukken van Belgische en Schotse bankdirecteuren. Bij de volgende financiële crisis zal blijken waar hun eerste loyaliteit ligt.


Ook de nieuwe lobbyclub Holland Financial Centre lijkt geboren uit het angstige gevoel dat Nederland overvleugeld wordt door het buitenland. Of, zoals voorzitter Arthur Docters van Leeuwen het bij de opening verwoordde: "Als we nu niets doen, wordt onze financiële sector een filiaal van andere financiële centra en zijn we afhankelijk van hun producten en diensten. Als we niets doen zal het proces van het verdwijnen van omzet en bedrijven naar het buitenland versnellen."


Hoe griezelig dat ook klinkt, feit blijft dat ook na de overname van ABN Amro de Nederlandse banksector grotendeels Nederlands blijft. Naar schatting 82 procent van het totale bankvermogen zal dan nog in binnenlandse handen zijn. Dat is meer dan in Groot-Brittannië. En wie durft te beweren dat de Britten op de mondiale financiële markt de boot dreigen te missen?


Tegenkrachten


Bovendien, tegenstribbelen heeft geen zin. De trend is duidelijk: er is een Europese financiële markt aan het ontstaan. Daarbij horen Europese megabanken met klanten in alle lidstaten. Het tijdperk van de nationale bank is ten einde. Het is een langzaam proces, want de tegenkrachten zijn groot. Politici zijn bang beleidsvrijheid te verliezen, banken vrezen de tucht van de markt en Brussels molens malen nu eenmaal langzaam. Maar ondanks het stroperige proces van financiële integratie, is de sector zich onmiskenbaar aan het voorbereiden op de nieuwe werkelijkheid. De posities worden ingenomen.


Vergeleken met andere industrieën stelt de ‘Euroficatie' van de bankensector nog niet zo veel voor. In sectoren als life sciences en consumentenproducten haalt de top100 bedrijven meer dan zeventig procent van de Europese omzet buiten het thuisland. Bij de banken is dat iets meer dan een kwart. Maar die situatie is snel aan het veranderen. In 1997 bedroeg de Europese bankactiva buiten het thuisland van de grootste Europese banken dertien procent van de totale activa. Negen jaar later was dat bijna verdubbeld tot 24 procent. Bij HSBC, Europa's grootste bank, steeg het percentage van vier naar twaalf. Nummer drie, Banco Santander uit Spanje, zag de niet-Spaanse, Europese activa oplopen van acht naar maar liefst 58 procent.


Nicolas Véron, als econoom verbonden aan de Brusselse denktank Bruegel, concludeert op basis van deze cijfers dat de pan-Europese banken onmiskenbaar de toekomst hebben. Het trage proces van financiële integratie in Europa is in een stroomversnelling geraakt. In de jaren negentig bestond de consolidatie in de sector nog vooral uit fusies tussen banken uit hetzelfde land, in deze eeuw zullen deze nationale kampioenen uitgroeien tot Europese spelers.


Het werd tijd. Europa heeft de afgelopen jaren veel laten liggen. Ongeveer de helft van het verschil in productiviteitsgroei tussen Europa en de Verenigde Staten is te verklaren uit het gebrek aan schaal en concurrentie op de financiële markten, uitgezonderd de verzekeraars, schrijft Nicolas Véron in zijn rapport Is Europe ready for a major banking crisis?. Europese banken zijn minder winstgevend dan hun Amerikaanse concurrenten en lijken minder geneigd risicokapitaal te verstrekken aan het bedrijfsleven.


Op 1 januari 2008 gaat de single European payment area (sepa) van start en wordt - als alles goed gaat - betalen in een andere Europees land net zo makkelijk als bij de bakker om de hoek. Pijnlijk is dat de Amerikaanse banken eigenlijk beter op deze gebeurtenis zijn voorbereid dan de Europese banken zelf. De Amerikanen hebben met hun Visa- en Mastercard betaalsystemen in huis die nu al in ieder Europees land werken. De Europese banken zijn nog over iets dergelijks aan het vergaderen. Als er al een paar grote, pan-Europese banken waren geweest, was deze beschamende en mogelijk schadelijke situatie niet ontstaan.


Europese toezichthouder


Pan-Europese banken zullen niet alle problemen oplossen. Want terwijl de banken zelf al Europees aan het worden zijn, blijft het toezicht op de banken nog altijd een nationale zaak. In 2001 besloot de politiek dat een Europese financiële markt geen Europese toezichthouder nodig heeft. In plaats daarvan kwam een systeem waarbij nationale toezichthouders onderling bepalen wie op welk onderdeel van Europees opererende banken toezicht houdt. Een typisch Europese oplossing die zowel de kool als de geit probeert te sparen. Dat kan aardig werken zolang het rustig blijft op de financiële markten. Maar in tijden van crisis schiet zo'n omslachtig en onduidelijk toezichtsysteem tekort. Iedereen is verantwoordelijk, dus niemand is verantwoordelijk. De volgende stap in het financiële eenwordingsproces is daarom het toezicht een niveau hoger te tillen. Kleine banken mogen onder controle van de nationale toezichthouders blijven. De Europese spelers krijgen een bijpassende Europese toezichthouder.


Dat is niet alleen veilig, maar ook eerlijk. Een markt kan pas werken -als de spelregels voor iedereen gelijk zijn en voor iedereen op dezelfde manier worden gehandhaafd. Concurrentie tussen grote Europese banken kan de burger, het bedrijfsleven en de banken zelf veel goeds brengen, zoals hogere productiviteit, lagere kosten, innovatieve financiële diensten en beter gespreide risico's. Maar doelmatig toezicht is daarbij een eerste voorwaarde. Alleen als dat gegarandeerd is, zijn de grote pan-Europese banken een echte aanwinst.


Of daar een Nederlandse bank bij zal zijn, is maar helemaal de vraag. Misschien dat ING Europese ambities heeft. En wie weet trekt Dirk Scheringa nog eens Europa in. Of Nederland gaat Estland achterna, en alle nationale banken komen in handen van het buitenland. In dat laat-ste geval hoeft er ook geen man overboord te zijn. Dat blijkt wel uit de ervaringen van de voormalige Oostbloklanden. Tijdens de roebelcrisis van eind jaren negentig stokte de kredietverlening in veel Oost-Euro-pese landen. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank blijkt dat het juist de buitenlandse banken waren die de kredietkraan nog enigszins open hielden. Terwijl de eigen banksector vol op de rem trapte, voorkwamen de grote Europese banken dat de economische ontwikkeling van landen als Estland stagneerde. Buitenlandse inmenging op de nationale financiële markt is soms zo gek nog niet.


Banken nu nog weinig Europees...
Europese omzet buiten thuisland t.o.v. totale omzet
gemiddelde van top100 bedrijven per sector
Life sciences: 84%
Consumentenproducten: 74%
Industrie en zakelijke diensten: 66%
Olie, gas en mijnbouw: 57%
Verzekeringen: 53%
Energie en water: 31%
Banken: 27%
Telecom en media: 24%


... maar dat verandert snel
Aandeel Europese bankactiva buiten thuisland
van acht grootste Europese banken
                    1997 2006
HSBC             4% 12%
RBS               1% 7%
Santander       8% 58%
BNP Paribas     19% 20%
ING                11% 16%
UniCredit         17% 70%
Barclays          8% 20%
ABN Amro        15% 43%
Gemiddeld*      13% 24%

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 5 | 1 Waardering

Meer achtergrond artikelen