SER-voorzitter Rinnooy Kan: ‘De drijfveer voor groei is nieuwsgierigheid’

27-09-2011 | Interviewer: Herman Bol | Auteur: Marike van Zanten | Beeld: Mark van den Brink

SER-voorzitter Rinnooy Kan: ‘De drijfveer voor groei is nieuwsgierigheid’

Economisch groeien is verantwoord groeien, aldus Alexander Rinnooy Kan. De voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER) verkent niet alleen de grenzen aan groei, maar ook de groei over de grenzen.

Het is eigenlijk een wonder dat Alexander Rinnooy Kan en interviewer Herman Bol elkaar nog nooit eerder hebben ontmoet. Beiden hebben een verleden als bankier (Rinnooy Kan bij ING, Bol bij de Rabobank), beiden bekleden een positie in de top van een gezichtsbepalend academisch ziekenhuis (Rinnooy Kan is voorzitter van de Raad van Toezicht van het AMC, Bol is bestuurslid van UMC Utrecht) en beiden frequenteren het Concertgebouw (Rinnooy Kan is voorzitter van de Raad van Commissarissen van deze Amsterdamse muziektempel, Bol bezocht er alle voorstellingen van de Mahler-cyclus). ‘En welke symfonie van Mahler heeft de meeste indruk bij u achtergelaten?’ informeert Rinnooy Kan nieuwsgierig, tegen de achtergrond van een indrukwekkende boekenkast en een grote raampartij met uitzicht op wuivend groen. ‘De tweede symfonie, die vormde voor mij het hoogtepunt’, luidt het antwoord van Bol.

Grenzen aan groei
Het eigenlijke gespreksonderwerp komt ter tafel: de wetmatigheden van groei en de grenzen daaraan, zowel vanuit menselijk perspectief als vanuit de mondiale duurzaamheidsproblematiek.

Veertig jaar geleden publiceerde de Club van Rome het rapport ‘Grenzen aan de groei’. Waar staan we nu? ‘In die vier decennia hebben we een opmerkelijke ontwikkeling doorgemaakt. Groei is alleen nog verantwoord als deze duurzaam wordt ingevuld. Dat inzicht wordt nu algemeen geaccepteerd als onvermijdelijk. Organisaties die ruimte zoeken voor hun toekomst begrijpen dat ze daarvoor actief een vergunning van de samenleving moeten verwerven. Dat vind ik een klein wonder. Vooral Nederlandse ondernemingen doen het heel goed als het gaat om duurzame groei, misschien omdat we zo’n klein land zijn. Wij hebben een uitzonderlijk open economie. Grote Nederlandse ondernemingen streven bijvoorbeeld actief naar een verduurzaming van de internationale toeleveringsketen, niet alleen op milieugebied, maar ook in arbeidsomstandigheden.

Kunnen de koplopers in het bedrijfsleven die duurzame groeiprincipes zelf uitrollen naar een grotere groep, of moet de overheid de grenzen aan groei bepalen? ‘Je kunt dit niet afdwingen, het onttrekt zich aan wet- en regelgeving, hoe vervelend de overheid dat ook vindt. Zo wordt er gedreigd om toeleveringsketens openbaar te maken en bedrijven op die manier tot duurzaamheid te dwingen. Maar daarmee bewijs je het bedrijfsleven én de goede zaak geen dienst. Je kunt bedrijven beter een faire kans geven om duurzaamheid zelf op te pakken. Wij monitoren dat proces als Sociaal-Economische Raad sinds 2002 nauwgezet en we zien het elk jaar een stukje beter gaan. Terwijl verantwoord groeien een stuk lastiger is dan veertig jaar geleden.’

Sommige bedrijven willen er een slaatje uit slaan, terwijl duurzaamheid toch verankerd moet zijn in de cultuur en moet voortkomen uit diepgevoelde persoonlijke betrokkenheid… ‘Beide aspecten zijn belangrijk. Duurzaamheid vraagt om een persoonlijke overtuiging, maar vormt soms ook gewoon heel plat een commerciële kans. Een duurzame groeiambitie kan bijvoorbeeld goed samenvallen met een verbetering van je productieproces. Eigenlijk komen in duurzame bedrijfsvoering de beste eigenschappen van de ondernemer bij elkaar. In Nederland zijn we daar al eeuwen goed in. Dat ondernemerschap moeten we ruim baan geven. Juist nu we tegen de grenzen aanlopen van wat onze planeet aankan, kan de gevoelde urgentie leiden tot belangrijke innovaties. Kijk naar de Amerikaanse staat Californië, die jaren geleden met een enorme luchtvervuiling kampte. Bedrijven kregen krankzinnige normen opgelegd, maar die werden glorierijk gehaald.’

Kan het opleggen van extreme normen een oplossing vormen? ‘We moeten het niet alleen zoeken in harde normen, maar ook in slim produceren en in financiële incentives om consumentengedrag te sturen. Het einde van onze voorraden komt in zicht, zo hebben we nog maar voor veertig jaar lood. We moeten dus toe naar een cradle-to-cradle economie, waarin afval de grondstof vormt voor nieuwe producten. Bovendien moeten we de duurzaamheidseffecten van producten gaan doorberekenen in de prijzen. In een vieze, oude auto rijden, wordt dan een dure hobby. Met die financiële incentives kun je de juiste signalen uitzenden, je hebt een knop om aan te draaien. Daarom was ik ook zo ongelukkig toen de kilometerheffing in een diepe la verdween. Onbegrijpelijk. Dat plan had alles: het legde de lasten neer bij de gebruiker, terwijl het ook nog eens gebaseerd was op interessante technologie, waarmee Nederland zich internationaal een sterke positie had kunnen verwerven.’

Vormt de biobased economy een interessante internationale groeikans voor het Nederlandse bedrijfsleven? ‘Absoluut. Voedingsresten lenen zich uitstekend voor een duurzame economische inzet. Vaak denken we daarbij alleen aan brandstof, maar eigenlijk is dat juist een van de lastigste toepassingen van biomassa, vanwege de benodigde schaalgrootte en de ongewenste effecten voor de wereldvoedselvoorraad. Veel kansrijker zijn de schitterende dingen die je met biogrondstoffen in de chemie kunt doen, zoals het produceren van bioplastic. De biobased economy past dus bij duurzame groei èn biedt nederland internationaal kansen. Ook al omdat we kunnen beschikken over de enorme doorvoercapaciteit van de Rotterdamse haven, een cadeautje van de voorzienigheid waarnaar in het buitenland met jaloezie wordt gekeken. Natuurlijk gaat de ontwikkeling van een dergelijke nieuwe sector gepaard met woeste geruchten en teleurstellingen. Maar juist in zo’n spannende omgeving, kunnen baanbrekende ideeën worden geboren die internationaal kunnen worden geëxporteerd. Daarmee vormt de biobased economy een belangrijke groeimotor voor de komende jaren.’

Misschien moeten we niet alleen anders, maar ook minder produceren. Moet er niet een mentaliteitsverandering plaatsvinden, bijvoorbeeld bij aandeelhouders: genoeg is genoeg? ‘Institutionele beleggers kunnen zich juist heel goed inleven in de eisen die de wereldeconomie stelt aan verantwoorde groei. Ik ben adviseur van de beleggingscommissie van PGGM en ik weet dus uit eigen ervaring dat daar buitengewoon kritisch gekeken wordt naar het duurzaamheidsbeleid van bedrijven waarin belegd wordt.’

Heeft het wel zin als wij onszelf in Europa grenzen aan groei opleggen, terwijl opkomende economieën tegen de klippen op groeien?China heeft op duurzaamheidsgebied een enorme draai gemaakt. Er is een toenemend besef dat economische groei alleen gelegitimeerd wordt als dat op een verantwoorde manier gebeurt, ook onder invloed van de grote schaal waarop duurzaamheidseffecten inmiddels wereldwijd geregistreerd worden. De Chinese politieke leiding heeft een fundamenteel ander perspectief dan tien jaar geleden. Ook dat zie ik als een positieve ontwikkeling. Dat betekent niet dat we nu rustig achterover kunnen leunen. Met het huidige welvaart- en consumptieniveau is onze ecologische voetafdruk groter dan de wereld aankan. We zullen hier in het Westen moeten accepteren dat wij niet het alleenrecht hebben op welvaart, alleen omdat we die als eerste wisten te creëren. Anderen willen langszij komen. Maar er is geen reden voor paniek. In de jaren zeventig van de vorige eeuw voorspelde bioloog Paul Ehrlich dat er tien jaar later een wereldwijde voedselcrisis zou uitbreken. In 1986 zou al het voedsel op zijn. Dat scenario is niet uitgekomen, omdat men tijdig is gaan innoveren. Ook op het gebied van duurzaamheid zal de oplossing uit innovatie moeten komen.’

Is ook de groei van ondernemingen gebonden aan grenzen? Is groter altijd beter, of verlies je dan de menselijke maat en dreigt effectiviteitsverlies? ‘Dat is een lastig vraagstuk, dat zich niet alleen voordoet bij multinationals, maar bij elke ontwikkelingssprong van een onderneming. Eerst heb je een geniaal idee en een klein clubje pioniers. Als het succes komt, blijkt zo’n groeispurt heel lastig te beheersen. Lukt de doorgroei wel en wordt die onderneming groot, dan is het constant balanceren tussen het incasseren van schaalvoordelen versus het onderkennen en beheersen van de schaalrisico’s. Ik was lid van de Raad van Bestuur van ING, toen de bank een stormachtige groei doormaakte naar 120.000 medewerkers wereldwijd. Je probeert iedereen betrokken en geïnspireerd te houden, plus zicht te houden op de organisatie, terwijl je tegelijkertijd beseft dat je niet alles kúnt weten. Soms kun je bovendien niet ontsnappen aan de noodzaak voor schaal. Die fabriek waar Shell aardgas omzet in olie – fantástisch, wat een enorme operatie.’

Eckart Wintzen deelde zijn BSO op in cellen als de onderneming te groot werd. ‘Ja, maar die oplossing heb ik elders zelden een succes zien worden. Bovendien was de cellenfilosofie ook niet bedoeld voor grote, multinationale ondernemingen. Het blijft een ingewikkeld dilemma: het creëren van voldoende stabiliteit versus het voorkomen van fatale instabiliteit. Als ik de oplossing daarvoor precies wist, zat ik hier niet meer.’

Hoe onbegrensd is persoonlijke groei? ‘Groei wordt in essentie gedreven door nieuwsgierigheid. Op microniveau vormt nieuwsgierigheid de drijfveer van de ondernemer om iets nieuws op te zetten, op macroniveau zou het de drijvende kracht achter de economie moeten vormen. Dat lukt nog niet helemaal. Het principe van een leven lang leren scoort nog niet optimaal en ook het over de grens denken en opereren kan nog beter. Voor mij is de duurzame kenniseconomie een economie waarin nieuwsgierigheid maximaal tot bloei kan komen. De infrastructuur daarvoor moet je zorgvuldig onderhouden. Ook persoonlijke groei wordt gedreven door nieuwsgierigheid. Ooit kreeg ik in een interview slechts twee vragen: ‘wie ben je’ en ‘wat doe je’? De beantwoording van die vragen was lastig, want daarvoor moet je je wezen en je werk terugbrengen tot de kern. Maar uiteindelijk heb ik de antwoorden toch gevonden. Wie ben ik? Ik ben nieuwsgierig. Wat doe ik? Uitleggen. Dat is de essentie van mijn werk.’

Herman Bol is lid van de Raad van Bestuur van UMC Utrecht.

Lees ook:

> Alexander Rinnooy Kan verlengt voorzitterschap SER
> Alexander Rinnooy Kan: ‘ Deze crisis is de overtreffende trap van een olievlek’

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 5 | 1 Waardering

Alexander Rinnooy Kan

Functies Alexander Rinnooy Kan


- Commissaris Siemens
- Universiteitshoogleraar Universiteit van Amsterdam
- Lid Eerste Kamer D66 Fractie
- Voorzitter Raad van Toezicht AMC
- Voorzitter Raad van Toezicht Prins Bernhard Cultuurfonds
- Voorzitter Raad van Toezicht De Balie
- Voorzitter Raad van Toezicht EYE
- Vice-voorzitter Raad van Toezicht Stichting Lezen & Schrijven

Herman Bol

Functies Herman Bol


- Lid Raad van Commissarissen, voorzitter Auditcommissie, voorzitter Bouwcommissie Prinses Máxima Kinderoncologisch Centrum
- Commissaris Marfo / Chef Martin
- Lid Raad van Commissarissen, voorzitter Auditcommissie Mitros woningcorporatie
- Lid Raad van Toezicht en lid Auditcommittee Jeroen Bosch Ziekenhuis
- Lid Raad van Toezicht Stichting Vrienden UMC Utrecht
- Commissaris (voorzitter) STMG - Stichting Thuiszorg Midden-Gelderland BV
- Voorzitter Raad van Toezicht Carante Groep
- Lid Raad van Toezicht Dialysecentrum Ravenstein
- Interviewer Management Scope

Meer interviews