Transitie van de energiemarkt; het verbeterprogramma

26-08-2013 | Interviewer: Monique Noomen - Greve | Auteur: Erik Bouwer | Beeld: Anouck Wolf

Transitie van de energiemarkt; het verbeterprogramma

De liberalisering van de energiemarkt gaat gepaard met de nodige kinderziekten. Nieuwe spelers op de markt hebben het moeilijk en er is dringend behoefte aan een beter werkend kleinverbruikersmodel. De sector werkt aan een verbeterprogramma.

Op papier is de energiemarkt in Europa sinds de jaren negentig geliberaliseerd. Maar wanneer je als individuele consument met je eigen zonnepaneel stroom wilt leveren aan je buurman, komt de overheid met energiebelasting en moet de stroom geleverd worden via het officiële net.

En in het groot is het voor nieuwe spelers lastig de markt te betreden, waardoor mislukkingen en faillissementen geen uitzondering zijn. Het overgrote deel van de markt is nog steeds in handen van drie gevestigde, Europese energiereuzen. De energiesector werkt ondertussen aan een verbeterprogramma, maar de agenda daarvan lijkt te worden ingehaald door de nieuwste ontwikkelingen waarbij burgers hun eigen energievoorziening realiseren en beheren. Steeds vaker worden klassieke energiecentrales uitgezet. Op het vlak van energie gaan we een interessant tijdperk tegemoet. Welke kant gaan we op, waar moeten we in investeren en hoe borgen we betrouwbaarheid, betaalbaarheid en duurzaamheid?


COMPLEX
Wat heeft de liberalisering ons gebracht? Allereerst de nieuwe toetreders. Frank Schmid (Oxxio): ‘Voor de consument was het goed geweest als de snelheid waarmee de liberalisering is doorgevoerd wat hoger was geweest en een programma als Stroomopwaarts vijf of tien jaar eerder was geïmplementeerd. Dat programma heeft consumenten veel nieuwe voordelen gebracht.’ Hij constateert dat er nog niet gesproken kan worden van een voldoende transparante markt; complexe wet- en regelgeving maakt het nieuwe toetreders lastig.


Ook Sjef Peeraer (Atoomstroom en Budget Energie) vindt dat de liberalisering veel heeft opgeleverd voor de consument. ‘De ACM, voorheen NMa, maakt ieder jaar inzichtelijk hoeveel de consument bespaart doordat er sprake is van een markt. Het gaat om honderden miljoenen euro’s per jaar. Leveranciers houden elkaar meer dan vroeger scherp, de kosten dalen en het serviceniveau stijgt. Daarnaast dwingt de liberalisering leveranciers om te innoveren. Aan de andere kant is de liberalisering eigenlijk nog maar net op gang gekomen. Nog steeds is 85 procent van de markt in handen van de traditionele regio-leveranciers: Nuon, Essent, Eneco. In ieder economieboekje is te vinden dat je dan kunt spreken over een niet goed functionerende markt.’


COMPETITIEF
Na de nieuwe spelers is het de beurt aan Han Fennema (Enexis). Zijn eerste reactie is dat de liberalisering keuzevrijheid heeft opgeleverd, ook voor bedrijven. ‘Maar we hebben ook een veer gelaten’, vindt Fennema. Energie is een commodity geworden, het onderscheidend vermogen tussen de aanbieders is volgens hem relatief gering. De sturing op bijbehorende maatschappelijke vraagstukken, bijvoorbeeld op het gebied van CO2-reductie of energietransitie, zijn samen met de markt naar Europees niveau getild, hetgeen het zelfsturend vermogen van Nederland beperkt. Fennema is positief over het functioneren van de huidige netbeheerders: er is vrije toegang voor alle klanten en leveranciers. De gemeenten en provincies zijn de huidige aandeelhouders van de netbeheerders, maar ze draaien niet meer direct aan de netbeheerknoppen.


Dat is een verbetering ten opzichte van de jaren zestig, toen de netten werden aangelegd en beheerd door honderden veelal gemeentelijke energiebedrijven. De huidige transitie in de energiesector stelt andere eisen aan die netten en dat leidt tot aanzienlijke investeringen, aldus Fennema. ‘De Splitsingswet heeft ervoor gezorgd dat wij goed gepositioneerd zijn om voor de lange termijn onze netten betaalbaar en betrouwbaar te houden.’ Erwin van Laethem (Essent): ‘De liberalisering heeft ertoe geleid dat de Nederlandse markt de meest competitieve van Europa is. De churn – het aantal klanten dat jaarlijks van leverancier wisselt – is in ons land het hoogst. De liberalisering heeft geleid tot meer commercialisering, meer klantgerichtheid en meer innovatie, ook van diensten die niet direct met gas of elektriciteitslevering te maken hebben.’


TESTCASE
Voor een genuanceerd beeld van de liberalisering moet je beide markten – productie en levering – apart bekijken, stelt Peeraer. Op de productiemarkt is de liberalisering vooral in Noordwest-Europa goed geslaagd, maar op de retail- of leveringsmarkt is nog het nodige te winnen. Nieuw toetredende leveranciers moeten veel kennis en expertise opbouwen en dat gaat niet altijd zonder problemen. Eind 2012 ging rond de jaarwisseling Orro Energy failliet, wat een kleine cascade aan gevolgen opleverde. Ook het Nederlandse Trianel, een energiedienstverlener gericht op nieuwe (veelal kleinschalige) producenten en leveranciers, viel om. Enkele tienduizenden klanten, waaronder ook kleine energieleveranciers, moesten in enkele dagen tijd – tussen kerst en oud en nieuw – een nieuwe provider zoeken, zo legt Ad van Wijk uit.


Van Laethem reageert: ‘Je kunt dit vergelijken met de banksector. Als een relatief kleine bank omvalt, kan dat grote gevolgen hebben voor de gehele sector. Bij het aanbieden van licenties aan nieuwkomers in het verweven systeem van de energiesector zou daarmee meer rekening moeten worden gehouden.’ Peeraer vindt echter dat we niet moeten schrikken van faillissementen in de energiesector: ‘Het hoort bij het volwassen worden van de markt. Klanten krijgen gewoon doorgeleverd, het was een goede testcase voor de toezichthouders.’


CONSUMENTENBESCHERMING
Fennema plaatst een kanttekening bij het vangnet voor klanten dat door de toezichthouder voor dit soort situaties is gecreëerd en waarbij energielevering gegarandeerd is, omdat andere aanbieders gedupeerde klanten moeten overnemen: ‘Het maakt het onderscheidend vermogen wel weer kleiner: je kunt iedere leverancier kiezen, want je komt toch nooit zonder stroom te zitten.’


Schmid reageert: ‘Gaan we nog meer regels in de markt inbrengen, zodat dit nooit meer kan gebeuren? Of kies je voor een vrije markt waarin een aanbieder ook failliet kan gaan wanneer de financiën niet in orde zijn?’ Het opvangen van de gevolgen van het faillissement van Orro is goed gelukt met de nodige inzet van en samenwerking tussen allerlei partijen, zo erkent Van Laethem, maar een zekere bescherming van consumenten is wel nodig. Failliet of niet, een partij als Trianel heeft veel heeft bijgedragen aan het op gang helpen van de markt. Wellicht was het initiatief nooit van de grond gekomen als de Autoriteit Consument en Markt (ACM) nog strengere toetredingseisen aan bijvoorbeeld het eigen vermogen had gehanteerd, aldus Peeraer.


MINDER GRIP
Niet alleen de markt zorgt voor de nodige hiccups. Ook energietechnologie verandert in rap tempo. Een van de belangrijkste trends is lokale energieopwekking. Ook hier zitten oude gereguleerde marktprocessen, protocollen en procedures vernieuwing in de weg, vindt Van Laethem. En wanneer er iets in wet- of regelgeving verandert, is het een hele toer voor alle klanten, medewerkers en IT -systemen om zich aan te passen – dat drukt op het algemene kostenpeil. Peeraer ziet juist dat de liberalisering ertoe heeft geleid dat er allerlei nieuwe mogelijkheden zijn ontstaan, ook op het gebied van duurzaamheid. ‘Denk aan tuinders en boeren die binnen hun bedrijf aan eigen opwekking doen en daardoor veel bijdragen aan CO2-reductie. Hierdoor staan er nu veel minder kolencentrales te stampen dan anders het geval zou zijn geweest.’


Fennema verwijst opnieuw naar de ietwat moeizame relatie tussen duurzaamheid en marktwerking: ‘Door onze liberalisering hebben we de realisatie van duurzaamheidsdoelstellingen aan de markt overgelaten. In de vijftien jaar dat ik in de energiemarkt zit, zijn warmtekrachtkoppelingen opgezet en afgeschaft, steeds met verschillende redenen. De facto is het aantal kolencentrales toegenomen. Daar hebben we tot dusver minder grip op gekregen.’


ENERGIEWENDE
Schmid beschouwt het als een tekortkoming van de traditionele energiemarkt als burgers zelf energiecollectieven gaan opzetten en hiervoor nieuwe serviceproviders als Trianel inhuren. Het realiseren van een meer duurzame energievoorziening moet wat hem betreft een combinatie zijn van vraag- en stimuleringsbeleid. De Duitse overheid heeft vooral via subsidies een nieuwe energiemarkt gecreëerd. Fennema ziet in die Duitse Energiewende minder ‘markt’ en meer een fiscaal regime.


Schmid reageert: ‘Toch is er nu een ander consumentengedrag in Duitsland dan dertig jaar geleden. Beide mechanismen kunnen elkaar versterken.’ Ook Van Laethem vindt dat een zorgvuldig, op ware kosten gebaseerd subsidiestelsel kan helpen om een nieuwe technologie te ondersteunen. In Duitsland zijn daarmee volgens hem wel fouten gemaakt, waardoor het investeren in zonnepanelen op zichzelf een winstgevende activiteit werd. Nederland, dat nog maar één procent van de energie uit zon haalt, kan lessen trekken uit de gang van zaken in Duitsland. De Duitse Energiewende heeft ook gevolgen voor het Europese net, zo legt Fennema uit. In Duitsland zitten de meeste zonnepanelen in het noorden, in het zuiden van het land staan kerncentrales die nu worden gesloten. Dat stelt eisen aan de transportcapaciteit van noord naar zuid. ‘Het zou geen gek idee zijn om in plaats daarvan de zonnepanelen beter te spreiden. Als gevolg van Duits beleid dreigt ook het Nederlandse netwerk lokaal overbelast te raken.’


De impact van de Duitse Energiewende, waar volgens Van Laethem de komende jaren nog vele miljarden in worden geïnvesteerd, gaat nog verder. ‘De Wende komt bovenop twee andere trends in de energiemarkt: overcapaciteit in de productie en een afgenomen vraag naar energie als gevolg van de crisis. Wind- en zonne-energie hebben prioriteit op het net, die Duitse stroom moet ergens naartoe en dat heeft een dempend effect op de gasgestookte centrales in Nederland.’ Peeraer stelt dat door Duits overheidsbeleid stroom onder de kostprijs op de Europese markt wordt gedumpt: ‘Als een commercieel bedrijf dat zou doen, zou het voor de rechter worden gesleept.’ Fennema pleit daarom voor piketpaaltjes waarmee overheden kunnen aangeven wat wel en niet is toegestaan op de Europese energiemarkt.


ENERGIEBELASTING
De Duitse Energiewende brengt het onderwerp op prijsontwikkelingen. ‘Er wordt gesuggereerd dat de energieprijzen zullen stijgen als gevolg van investeringen, maar voor de komende vier, vijf jaar is de verwachting juist dat de prijzen gaan dalen. Er komt steeds meer stroomopwekking, er komt steeds meer gas bij,’ zegt Peeraer. Fennema nuanceert: ‘De prijs voor de eindgebruiker wordt voor een belangrijk deel ook bepaald door de energiebelasting, een overheidsinstrument. Dat geld zullen we in de toekomst als maatschappij nodig hebben om te investeren in transitie naar een duurzame energievoorziening: het streven is zestien procent duurzame energie in 2020, terwijl gelijktijdig de industriesector concurrerend moet kunnen blijven. De consument gaat waarschijnlijk nog meer betalen via de belasting.’


Peeraer vraagt zich af in hoeverre er nog draagvlak is voor het verder verhogen van de energiebelasting. Die hogere tarieven zijn wel een belangrijke reden voor lokale opwekkingsinitiatieven van consumenten, die door energiebedrijven als ‘achter de meter’ worden bestempeld. Van Wijk geeft hiermee aan dat energiebedrijven nog te weinig klantgericht zijn: ze kijken te weinig naar wat die klant nu eigenlijk wil en doet, de sector is vooral bezig met leveren via de meter. Ook de overheid maakt het niet gemakkelijk: stroom die je zelf opwekt, moet verplicht worden toegevoegd aan het stroomnet, ook al zou je het aan de buurman willen leveren. Deze zogenaamde saldering staat een zelfstandige energievoorziening in de weg: zowel opwekker als afnemer van die stroom betalen energiebelasting.


ROBUUSTE INVESTERINGEN
Schmid suggereert dat traditionele energiebedrijven steken hebben laten vallen: ze hadden als serviceprovider kunnen optreden, om als partner deze ‘autarkische’ energievoorziening te vergemakkelijken. Er zijn nu nog drempels die het moeilijk maken te salderen op postcodegebied, iets wat aantrekkelijk is voor collectieven die energie opwekken. ‘Het zijn niet de energiebedrijven die eisen dat er eerst aan het net wordt teruggeleverd.


Het zijn regels die uit het tijdperk stammen van de start van de liberalisering en die te maken hebben met het willen heffen van energiebelasting,’ antwoordt Van Laethem. Energiebedrijven willen deze maatregelen ook aangepast zien om te kunnen voldoen aan klantbehoeften. In de toekomst zal ook de samenstelling van de energienota veranderen. Door de sterke groei van lokale energieopwekking zal steeds meer stroom ‘de straat niet meer verlaten’, aldus Peeraer. Hierdoor worden de netten veel minder en efficiënter belast, en dat zal moeten leiden tot verlaging van de netwerkkosten – een halvering zou mogelijk moeten zijn.


Fennema ziet dat anders: ‘In de toekomst zal bij zonnig weer de stroom sommige wijken uitspuiten. Om het netwerk stabiel te houden, zijn aanzienlijke investeringen nodig. Denk aan het opzetten van een smart grid en aan lokale opslag, zoals een buurtbatterij in Etten-Leur.’ Daarbij zal in de toekomst volgens Fennema ook de auto een nieuwe rol gaan spelen als onderdeel van dat netwerk: elektrisch rijden vergroot onder meer de belasting van het netwerk. Deze ontwikkelingen vergen gerichte en robuuste investeringen in de netten, in een continue afweging tussen maatschappelijke kosten en baten. Fennema benadrukt hierbij dat Enexis, in tegenstelling tot de andere regionale netbeheerders, niet de maximaal toegestane investeringsruimte gebruikt en doorbelast aan haar eindklanten. Uit de instemmende reacties aan tafel blijkt dat betaalbaarheid ook een belangrijk thema is.


ZIGZAGBELEID
Hoewel de sterke opkomst van schaliegas ervoor zorgt dat de kosten van traditionele energie lager worden, lijkt elektrificatie de heersende trend te worden. ‘De opwekking en opslag van elektriciteit ontwikkelen zich doorlopend; de combinatie van zon, warmtepomp en batterij wordt steeds aantrekkelijker voor huishoudens door dalende prijzen’, aldus Van Laethem. Met het oog op al die ontwikkelingen is het de vraag hoe de energienetten er in 2050 uit zien. Die netten moeten in staat zijn om voldoende te leveren en op te nemen: dat geldt voor elektriciteit, maar bijvoorbeeld ook voor het aanleveren van groen gas, iets dat vorm begint aan te nemen. Enexis kreeg afgelopen jaar 21 miljoen kubieke meter gas aangeboden aan het gasnet, legt Fennema uit. Omdat het bezit en beheer van de netten in overheidshanden is, is een stip op de horizon van groot belang om de benodigde investeringen optimaal te sturen, vindt hij: ‘Het zou een nachtmerrie zijn als er nu weer allerlei fiscaal gedreven particuliere netten ontstaan. Voor welke systeem wordt straks gekozen? Grote windparken op zee? Of wordt het veel zonne-energie? Het zou mooi zijn als uit het energietransitie-akkoord van de SER een stip op de horizon voortkomt.’ Nu ontbreekt het nog aan visie en is er vooral sprake van zigzagbeleid, aldus Fennema.


INTEGRALE AANPAK
Grootschaligheid en kleinschaligheid zullen naar verwachting naast elkaar bestaan, wat de wereld van netbeheerders complexer maakt. Daarom vindt Van Laethem het ook belangrijk dat goed gekeken wordt naar de integrale ontwikkelingen in de keten. ‘Meer fluctuerende opwek door zon en wind in Duitsland maakt het noodzakelijk dat er ook geïnvesteerd wordt in de netwerken. Dat geldt ook voor de buurlanden. Wat we nodig hebben is een integrale en internationale aanpak.’ Schmid wijst opnieuw op het belang van een reële klantvraag – je kunt niet alles oplossen met overheidsbeleid. Peeraer: ‘De overheid heeft zich gecommitteerd aan Europese afspraken op het gebied van CO2-reductie. Dat moet zo kosteneffectief mogelijk gerealiseerd worden. Zonne-energie is het meest sympathiek, maar op korte termijn ook het duurst. Wind is goedkoper, maar hier speelt het not in my backyard-verschijnsel mee. Biomassabijstook is het goedkoopst, maar ook dit is omstreden. Het zal dus moeilijk zijn om consensus te bereiken.’


Ad van Wijk is ondernemer, adviseur en buitengewoon hoogleraar Future Energy aan de TU Delft.


Deze rondetafeldiscussie over de transitie van de energiemarkt is gepubliceerd in Management Scope 06 2013.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 5 | 8 Waarderingen

Waardecreatie

In dit dossier

Ad van Wijk

Functies Ad van Wijk


- Voorzitter Raad van Toezicht UCE (Utrecht Centre for Energy research)
- Buitengewoon hoogleraar Future Energy Systems TU Delft
- Commissaris Solland Solar Energy Holding B.V.
- Penningmeester Energy4all
-

Erwin van Laethem

Functies Erwin van Laethem


- CEO Van de Velde

Sjef Peeraer

Functies Sjef Peeraer


- Oprichter Budget Energie en Atoomstroom
- Eigenaar SP Innovation

Frank Schmid

Functies Frank Schmid


- Managing Director Dept
- Managing Director Tam Tam

Han Fennema

Functies Han Fennema


- CEO Gasunie
- Voorzitter KVGN

White collars working blue

Van knelpunt in uw operationeel proces naar meetbaar en blijvend resultaat? Kijk hoe First Consulting dit samen met uw medewerkers aanpakt. >> Bekijk filmpje

Monique Noomen - Greve

Functies Monique Noomen - Greve


- CEO Eiffel
- Lid Raad van Advies Europees Instituut Interim Management Nyenrode EIIM

Meer interviews