De langetermijnleugen

Auteur: Esther van Rijswijk | 24-01-2008

De langetermijnleugen
Of het een dipje is op de beurs, of een duikvlucht: de echte coole belegger kan het weinig schelen. Die belegt ‘voor de lange termijn' en laat zijn nachtrust niet verstoren door de paniek op de financiële markten. Erg verstandig, maar: hoe lang is die lange termijn eigenlijk?

Vraag het een beurshandelaar en die zal zeggen: ‘de lange termijn? Dat is tot na de lunch.' En bij de huidige perikelen op de markten, zal hij niet eens gaan lunchen.
Wie denkt dat hij een beter antwoord krijgt van een gemiddelde beleggingsadviseur, komt bedrogen uit. Die zal zeggen dat zeven tot acht jaar lang genoeg is om geld in aandelen te beleggen. Maar ook dat is nog te kort.
De lange termijn, is veel langer dan u denkt.

In de wetenschappelijke literatuur wordt uitgegaan van zo'n twintig tot dertig jaar. En zelfs dan bieden de rendementen uit het verleden- het enige dat we hebben om welke uitspraak dan ook te verifiëren - geen garanties voor de toekomst. In Duitsland en Frankrijk moesten beleggers die 1900 begonnen met beleggen een halve eeuw wachten voordat ze een positief rendement konden noteren. En in Nederland kwamen de beurskoersen tussen begin jaren zestig en begin jaren tachtig amper van hun plaats.
Het Global Investment Yearbook dat ABN Amro jaarlijks uitgeeft in samenwerking met The London Business School, staat bol van de voorbeelden van de lange-termijn-die-langer-is-dan-je-denkt. En van het bewijs dat de beurs voor iedereen die zijn geld binnen twintig jaar nodig heeft, een casino is. Superrendementen zoals we die eind jaren negentig zagen, van soms meer dan twintig procent in een jaar, komen voor. Maar ze worden afgewisseld met sombere periodes zoals de afgelopen acht jaar. De AEX is nog ver verwijderd van de 700 punten die het op zijn hoogtepunt bereikte, voordat de internetluchtbel uiteenspatte. Wereldwijd was de krach minder diep, maar het herstel dat de MSCI wereldindex sinds begin deze eeuw liet zien, wordt grotendeels om zeep gebracht door de daling van de dollar.
Wat overblijft is een bescheiden rendement voor aandelen in de periode 1900 - 2006 (het nieuwe jaarboek komt eind volgende maand uit) van 5,8 procent per jaar. De bulk van dat rendement komt uit dividend: zonder dividend is het rendement slechts 0,4 procent. Aandelen leveren daarmee op de lange termijn aanmerkelijk meer op dan obligaties (1,3 procent per jaar sinds 1900) en deposito's (0,7 procent per jaar). Maar nogmaals: het gaat hier over een gruwelijk lange termijn.
Dat aandelen op de lange termijn een veilige belegging zijn, noemt nobelprijswinnaar Paul Samuelson dan ook een dogma. John Maynard Keynes zei het al: in the long run, we are all dead. De kans dat aandelen op de lange termijn een hoger rendement opleveren dan obligaties, is groot, en neemt toe met de tijdshorizon. Maar er blijft altijd een kans bestaan, dat een belegger zijn geld net op het verkeerde moment nodig heeft, en met een fors verlies genoegen moet nemen.
De contraire Amerikaanse pensioeneconoom Zvi Bodie schrijft boeken over wat hij de langetermijnleugen noemt. Hij waarschuwt Amerikanen - die hun pensioen grotendeels zelf bij elkaar sparen - dat zij er rekening mee moeten houden dat beurzen ook met 25 procent kunnen dalen op het moment dat zij van plan zijn met pensioen te gaan. En dan gaat die 25 procent van de hele spaarpot af, dus dat hakt erin.
Die les is voor menig Nederlands ondernemer die zijn pensioen zelf bij elkaar belegt, ook van belang. Wie zeker wil zijn van een bepaalde levensstandaard als hij stopt met werken, moet een forse buffer opbouwen (lees: extra sparen), om dergelijke risico's af te dekken.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 0 | 0 Waarderingen

Meer opinie