Essay Marcel Metze: Het gejuich is verstomd

Auteur: Marcel Metze | 02-11-2012

Essay Marcel Metze: Het gejuich is verstomd

Sinds 1997 is een nanoseconde verstreken. Geologisch gezien. In economische zin lijkt het een eeuwigheid. De wereld verkeerde in een roes, mede door het einde van de koude oorlog.

Het nieuwe millennium naderde. De bomen groeiden tot in de hemel. De jonge (internet)economie deed de ondernemersharten sneller kloppen. De beurzen braken records, de pensioenkassen vulden zich vanzelf, iedereen werd rijker. Anderhalf decennium later voelt het kapitalistische westen zich kwetsbaar.

Dromen zijn vervlogen. Het worstelt met financiële onzekerheid, weet niet waar het nieuwe groei vandaan moet halen en vreest te worden overvleugeld door een opstomend China. De omslag tussen 1997 en 2012 is er een tussen manisch-depressieve uitersten, niet van ‘Jantje lacht’ naar ‘Jantje huilt’ maar van ‘hemelhoog juichend’ naar ‘diepbedroefd’.


De Nederlandse BBP-cijfers van de afgelopen vijftien jaar laten een rollercoaster van versnelling en vertraging zien. Tot en met 2000 groeide de economie zeer uitbundig. Daarna stagneerde ze. Halverwege de jaren ’00 brak de zon even door. Tot de kredietcrisis. Het duurde een jaar voor die doorsloeg naar de reële economie maar toen het zo ver was, werd 2009 een waar rampjaar.
De terugval die we sindsdien beleven, is dieper dan die van begin jaren tachtig. Ons vertrouwen in eigen land is verzwakt. We brengen méér geld het land uit dan er binnenkomt. Medio jaren negentig waren de in- en uitgaande kapitaalstromen in evenwicht. Nu heeft Nederland een positief buitenlands vermogenssaldo van een kleine driehonderd miljard (eerste kwartaal 2012). Maar dat is geen teken van kracht, het komt omdat we onze kaarten het afgelopen decennium op het buitenland hebben gezet. Vooral na de kredietcrisis kwam een grote kapitaalexport op gang, waarvan de hoofdstroom zich richtte op buitenlandse aandelen. Ook buitenlanders zijn niet happig op investeringen in Nederland. Als zij hier wat kopen, dan het liefst veilige obligaties.


INZAKKENDE LUCHTKASTELEN
De groei van de jaren negentig was vooral te danken aan grootschalig potverteren, zo weten we intussen. Bedrijven en werknemers laafden zich aan de ‘overreserves’ der pensioenfondsen, de links liberale ‘paarse’ regeringen (ja, ook de VVD) wentelden zich in begrotingsoverschotten en joegen de bestedingen op met belastingvoordeeltjes. Topmanagers eigenden zich superbonussen toe. Maar de investeringen in R&D – lees: de toekomst – zakten terug naar minder dan één procent van het Bruto Binnenlands Product. Veel mensen voelden wel aan dat dit niet vol te houden viel. Achter het feestgedruis bij de overgang naar 2000 ging ook onzekerheid schuil, die zich uitte in de angst voor een ongrijpbare bug die alle computers ter wereld zou lamleggen. Dat gebeurde niet, maar de omslag begon inderdaad in de informatie- en communicatiehoek.


Het nieuwe millennium was nog maar net van start toen – geheel volgens de voorspellingen der sceptici – de internetbubble leegliep en een einde kwam aan de ICT-gedreven beurshausse. Tijdens de daaropvolgende economische dip van 2001-2003 werden ook enkele voorlopers zichtbaar van de latere financiële crisis. Naast overgewaardeerde ICT-bedrijven zakten namelijk ook een paar andere luchtkastelen in elkaar – steevast bedrijven die zich in het voorgaande decennium hadden geprofileerd met handige financial engineering. Beruchte voorbeelden zijn natuurlijk het energieconglomeraat Enron (waarvan de ‘winst’ uitsluitend uit toekomstverwachtingen bestond) en het onbeheersbaar opgeblazen Ahold-concern.


DE UITWASSEN VAN SHAREHOLDER VALUE
Die deconfitures waren snel vergeten. Vooral voor zakenbankiers, particuliere investeerders en speculanten braken gouden tijden aan. Na de dip van 2001-2003 ging het opkrikken van beurswaarden met geleend geld (hedging) en het afdekken van risico’s met nog meer risico’s (de derivatenhandel dus) in verhoogd tempo verder. De shareholder value ideologie was nu behalve in de VS en Groot-Brittannië ook in Nederland dominant. Deze ideologie rustte op de agency theory die Amerikaanse economen in de jaren zeventig hadden gelanceerd. Volgens deze theorie moet a) een onderneming uitsluitend gericht zijn op winstmaximalisatie en zal b) het management de belangen van de aandeelhouders het best dienen als een deel van zijn beloning gekoppeld is aan de beurskoers. Nog niet alle managers hadden het streven naar winstmaximalisatie voldoende tussen de oren zitten, vonden de meer fanatieke aanhangers van het shareholder value geloof.


Rond 2004 dook een nieuwe groep ‘activistische beleggers’ op die hen wel wilden helpen om de ‘verborgen waarde’ in hun bedrijven te ontsluiten. Op agressieve wijze, vaak met publicitaire druk, zetten zij dergelijke topmanagers aan tot acties die tot hogere beurskoersen moesten leiden, zoals reorganisaties, bezuinigingen, het verkopen van bedrijfsonderdelen, het inkopen van eigen aandelen, het opsplitsen van hun bedrijven of zelfs simpelweg opstappen. Begrippen als ‘lange termijn’, ‘economische toegevoegde waarde’ en ‘maatschappelijk belang’ kwamen in het woordenboek van de activistische beleggers niet voor. Ze wisten – vaak gesteund door pensioenfondsen – enorme hoeveelheden kapitaal voor hun aanvallen te genereren. In de VS tooiden sommige zich met brallerige namen als Bulldog Investors of Pirate Capital. In Nederland kregen bedrijven als Shell, Perscombinatie, VNU en Stork met activisten te maken.


Over één aspect van de shareholder value ideologie hadden de topmanagers geen bijles nodig. Ze waren zó ondernemend bij het formuleren van prestatie-indicatoren voor hun beloningen, dat zelfs lagere bedrijfsresultaten tot hogere bonussen konden leiden. Na een jaartje pauze wegens de postmillenniumdip schoten de topbeloningen in Nederland met twintig procent omhoog naar een miljoen euro (AEX/AMX), met uitschieters naar drieënhalf miljoen, exclusief vertrekgarantie. Daarmee volgden ze een internationale trend die in de VS tot nog veel extremere beloningen leidde.


DE KERNPROBLEMEN VAN HET KAPITALISME
Zelfs het gerenommeerde neoliberale weekblad The Economist hekelde de belonings- en bonuscultuur in het grote bedrijfsleven medio jaren ’00 als ‘het kernprobleem van het moderne kapitalisme’. Ik zou daar nog drie andere problemen aan willen toevoegen. Kernprobleem twee was het beleggersactivisme. Daar ging veel extreem graaigedrag en gebrek aan verantwoordelijkheid achter schuil. Het heeft sommige bedrijven wellicht tot vernieuwing geprikkeld, maar het heeft onmiskenbaar ook veel schade aangericht. Het derde probleem was het dekkings- en risicobeleid van de grote banken. In de jaren ’90 en ’00 zijn de grenzen tussen traditionele, risicomijdende financiële dienstverlening (betalingsverkeer, kredietverlening, handelsfinanciering, hypotheekverstrekking) en risicozoekende activiteiten zoals investment banking, merger & acquisition brokerage en effectenhandel behoorlijk zoekgeraakt – door het overmatige zelfvertrouwen der bankiers, door het schrappen van de Glass-Steagall Act in de VS en ook door het zwakke toezicht.


De gevolgen kennen we intussen. Het vierde en laatste probleem zijn de rating agencies. Deze rekenaars draaien vanuit hun ivoren torens aan de knoppen van de wereldeconomie, op verre afstand van de werkelijkheid waarin de geldstromen die zij met hun ondoorgrondelijke beoordelingsmodellen beïnvloeden gewoon keihard moeten worden verdiend. Ze zijn verre van onafhankelijk. In de aanloop naar de kredietcrisis hebben ze een zeer dubieuze rol gespeeld, en hoge waarderingen van bankinstellingen die al aan de rand van de afgrond stonden tot het laatst gehandhaafd.


Al deze problemen zijn door de kredietcrisis van 2007-2009 nog eens extra scherp in beeld geraakt. Voor geen van hen is een fundamentele oplossing gevonden. Het hedge fund activisme staat door het zwakke beurssentiment on hold. De banken zijn – dankzij de lage rentes en de sterk opgehoogde geldpotten van de Amerikaanse FED en de Europese Centrale Bank – bezig hun verliezen aan te zuiveren en hun kapitaaldekking te verbeteren. Het lijkt er niet op dat zij veel hebben geleerd. In de VS is de tweedeling risicomijdend/ risicozoekend bankieren door de politiek deels hersteld, maar in Europa weten de banken dergelijke structurele ingrepen nog steeds tegen te houden.


De topbeloningen in Nederland zijn sinds 2007 met een kwart gedaald naar het niveau van 2004, meldt De Volkskrant. Maar binnen de beloningspakketten is de vaste component vaak toch gestegen, zodat bij een  toekomstig economisch herstel weer een snelle (variabele) beloningsstijging te verwachten is. De rating agencies kwamen onder kritiek. Toch lijkt hun positie door de crisis alleen maar versterkt. Als zij een downgrading verordonneren, raken de financiële markten direct in nerveuze beweging. Zelfs veel politici sidderen voor hen. 


EEN VOORZICHTIGE BLIK RICHTING AZIË
De jaren ’00 waren voor het westerse vrije marktkapitalisme al met al een decennium van crisis. Niet alleen economisch: Europa worstelde ook met haar politieke integratie, de VS raakten politiek verlamd door polarisatie tussen Republikeinen en Democraten. China groeide daarentegen zeer snel en trad naar voren als een nieuwe en zelfbewuste geopolitieke speler. In Latijns-Amerika ontwikkelde Brazilië zich sterk. Ook Afrika won (mede door Chinese investeringen in grondstoffen) flink aan zelfvertrouwen. Sommige verarmde, werkloze Portugezen gaan nu in hun bloeiende ex-kolonie Angola op zoek naar een nieuwe toekomst.


Nederland keek bij deze verschuivingen in de internationale krachtsverhoudingen voornamelijk vanaf de zijlijn toe. Er was weinig economische vernieuwing te bespeuren, de industriële innovatie bleef kleinschalig, de politiek is al een decennium lang verdeeld en weigert over te gaan tot noodzakelijke ingrepen in de fiscale structuur en de pensioenvoorziening. Dat de dramatische terugval hier beperkt bleef tot 2009, is vooral te danken aan Duitsland en de Duitse export naar Azië. Begin 2009 viel het containervervoer van en naar Rotterdam van de ene dag op de andere vrijwel stil. Na een half jaar namen de vaarfrequentie en de beladingsgraad voorzichtig weer toe. In 2010 koppelden de duwboten er wat bakken bij. In 2011 stonden de  containers weer even hoog op de binnenvaartschepen als vóór de kredietcrisis.
De Nederlandse economie toonde een vergelijkbaar beeld. De wereldverschuivingen zijn niet helemáál aan Nederland voorbij gegaan. Onze directe investeringen in de VS krompen (in waarde, in relatieve zin), terwijl die in Europa en Azië relatief groeiden. In absolute termen bleef de verplaatsing van de investeringen naar Azië echter beperkt. Men leest en hoort wel dat het enthousiasme voor productie in China zou tanen, door problemen met de kwaliteit van het personeel, de oplopende loonkosten en de risico’s van kennisdiefstal. De cijfers van DNB wijzen inderdaad op een zekere voorzichtigheid.


De Aziatische investeringen van Nederland beslaan slechts iets meer dan tien procent van het totaal (2011). Een kwart daarvan betreft China, dus in totaal niet meer dan twee tot drie procent van de buitenlandse investeringen (nog een kwart betreft Japan, de rest betreft andere landen).


NIEUWE EN OUDE MANAGEMENTVRAAGSTUKKEN
De crisis in het westerse kapitalisme ging gepaard met toenemende kritiek op de kwaliteit van topmanagers, op de financiële en operationele transparantie van grote ondernemingen en op hun aandacht voor maatschappelijke belangen. Invloedrijke goeroes als Henry Minztberg en in Nederland ook Mathieu Weggeman vonden vooral het professionele niveau van de topmanagers zwak. Ze werden op de business schools te smal opgeleid en lieten zich te veel leiden door kortetermijnbelangen.


Het viel niet moeilijk deze kritiek te adstrueren. Bij Royal Dutch Shell leidde de bonuscultuur in 2004 tot een overschatting van de olie- en gasreserves. De kredietcrisis liet zien dat veel bankmanagers het zicht op hun risico’s volledig kwijt waren. De neiging van topmanagers tot kortetermijngraaien was soms regelrecht schokkend. Dat gold als gezegd vooral de VS, maar ook de verkoop van ABN Amro in 2007 was twijfelachtig. Was hier werkelijk geen andere strategische optie of zwichtte het topmanagement voor de kans om multimiljonair te worden?


Belangenorganisaties verweten de internationale topmanagers intussen dat zij bitter weinig oog hadden voor thema’s als kinderarbeid, milieuvervuiling en mensenrechten. Deze kritiek was al ouder, maar in de jaren ’00 namen de klachten over de passiviteit van multinationals tegenover kinderarbeid, mensenrechtenschendingen en milieuproblemen (de dreigende klimaatverandering) zó toe dat pensioenfondsen en andere institutionele beleggers ze niet langer konden negeren. Zo ontstond hernieuwde aandacht voor de maatschappelijke en ethische aspecten van het ondernemen, voor thema’s als corporate social responsibility en duurzaamheid. Hier valt nog wel wat te leren uit de vorige eeuw. In de jaren veertig en vijftig bestond in de VS een invloedrijke stroming die internationale topmanagers zag als corporate statesmen en vond dat zij zich dienden te gedragen als diplomaten en leiders, met gevoel voor de maatschappelijke betekenis van hun onderneming. Dat was misschien wat te hoogdravend en paternalistisch, maar er stak in ieder geval ethisch besef in.


Bedrijven en topmanagers spenderen tegenwoordig veel mooie woorden en brochures aan sustainability en corporate social responsibility. De praktijk is een stuk weerbarstiger. Zelf geloof ik dat bedrijven alleen onder maatschappelijke druk hun beloften van duurzaamheid en verantwoordelijkheid ook werkelijk in uitvoering nemen. Grotere financiële en operationele transparantie van internationals kan dan ook alleen maar worden toegejuicht – zeker nu op dit speelveld meer bedrijven uit China en andere minder transparante landen verschijnen.


Hoe zal het de volgende vijftien jaar gaan? In 2008 maakte ik mij in een artikel zorgen dat een nieuwe eeuw van stilstand zou aanbreken, zoals de lange achttiende eeuw. Dat is misschien wat al te negatief. Biedt de Kondratieff-golf uitkomst? De meeste economen vinden die onzin, hoewel ze geen alternatief hebben. Daarom volg ik die lange golf toch maar. Het goede nieuws is dat de onvermijdelijke periodieke terugval eerder is gekomen dan gedacht (in 2008 in plaats van 2012), zodat ook de nieuwe opgaande lijn eerder kan beginnen. Het slechte nieuws is dat we, afgaande op de eerdere golven, toch minstens twaalf jaar moeten doorploeteren voor zo’n nieuwe opgaande Kondratieff-periode aanbreekt.


Persoonlijk raak ik daar overigens niet door gedeprimeerd. Te midden van alle onzekerheid zie ik een generatie jonge mensen opbloeien met veel creativiteit, energie en idealisme. Die zal ons nog van pas komen.


Marcel Metze schreef talrijke boeken en essays over Philips, de grote banken, macht en management. In 2011 verscheen van zijn hand een korte geschiedenis van de manager, onder de titel ‘De Hoogmoedigen’ (uitgeverij Balans). Volgend jaar publiceert Metze zijn politieke biografie van Royal Dutch Shell.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 0 | 0 Waarderingen

Meer opinie