De economische groei van China is het beste dat de aarde is overkomen. Een economische boycot van het land werkt averechts en zal eerder minder dan meer democratische, sociale en milieubewuste vooruitgang brengen.
De boycotmoralisten die nu opstaan en de Olympische Spelen willen aangrijpen om een nummertje goed gedrag te bewerkstelligen bij de multinationals moeten snel een lesje economische wereldgeschiedenis tot zich nemen. Beste boek in deze categorie is ‘The moral consequences of economic growth' van Harvard-econoom Benjamin Friedman. Zijn stelling: De groei van de economie leidt tot de opkomst van een zogeheten sociale middenklasse die eisen stelt aan zijn directe leefomgeving. Volgens Friedman zal dat uiteindelijk resulteren in democratische inspraak, aangezien de middenklasse zich wil ontplooien in een vrije en niet al te smerig milieu. Anderen hebben al eens, zoals de econoom Kuznets, becijferd dat de groei van de economie zelfs resulteert in een béter milieubewustzijn.
Zijn theorie onderbouwde hij met cijfers. Als de inwoners van een land gemiddeld meer dan 6000 dollar per jaar te besteden hebben, zullen de bewoners van die regio zich bekommeren om hun leefomgeving.
Met andere woorden: groei zorgt ervoor dat je eist dat er fatsoenlijke riolering wordt aangelegd en dat er geen stinkfabrieken in je achtertuin worden gepland. Wie het laatste partijcongres van de maoistische kapitalisten heeft aangehoord, kan niet anders concluderen dan dat de Friedman-these wel eens snel waarheid kan worden. De viezigheid in China leidt tot onvrede onder de bevolking. De Chinese regering wordt, uit opportunisme wellicht, groener en groener, dankzij de groei.
Deze boodschap is natuurlijk niet populair bij de moralisten met het makkelijke gelijk van de buitenstaander. Hans Wijers, topman van Akzo Nobel, durft als een van de weinige topindustriëlen wel tegen de heersende feel good argumentatie in te gaan. In een recent interview onderschreef hij de lessen uit het ‘kapitalistische manifest'van Friedman en had zelfs nog een nieuw argument om in China handel te drijven. Westerse bedrijven, die over algemeen socialer en milieuvriendelijker produceren dan Chinese industrieconglomeraten zijn aantrekkelijker werkgevers dan hun stinkende concurrenten. Het is de paradox van de vrije markt die ons tot denken zou moeten aanzetten. Friedman meent dat de overheid de vrije markt krachten moet stimuleren, en waar nodig moet ingrijpen om marktimperfecties, die de groei en dus het welzijn van de bevolking aantasten, te corrigeren. Vooral bij schaarste is het zaak om scherp op te letten waar de pijn zich bevindt. Recent doemt dit probleem op door de stijgende voedselprijzen als gevolg van de hongerklop van onze Chinese en Indiase vrienden. Door de groei van de economie stijgen de voedselprijzen zo snel dat er zelfs voedselveldslagen worden voorspeld. Misschien zouden we, om de Chinezen een beetje te helpen, eens kunnen afrekenen met onze eigen subsidies in de Westerse voedselketen. Dat is altijd beter dan een boycot.