Allochtonen hebben de toekomst

03-02-2006 | Auteur: Irene Schoemakers | Beeld: Lex Draijer

Allochtonen hebben de toekomst

“Werkgevers moeten hun kortzichtigheid overboord zetten,” aldus Steven van Eijck, commissaris Jeugd en Jongerenbeleid, over de terughoudendheid van bedrijven om allochtone jongeren aan te nemen.

Van Eijck wil onafhankelijk zijn van welk ministerie dan ook. Dus huist de commissaris Jeugd- en Jongerenbeleid in een eigen onderkomen aan het Lange Voorhout. Een levensgroot schilderij van prinses Máxima gloort de bezoekers in de hal van dit statige pand - tevens voormalige woning van schrijver Louis Couperus - tegemoet. Ons wordt gevraagd via de achterdeur door de tuin naar een groot achterhuis te lopen. Daar, aan het eind van de gang, komt Van Eijck ons druk gebarend tegemoet. “Een echt ADHD-kind”, zegt Wondolleck die zichtbaar al eerdere ontmoetingen heeft gehad met Van Eijck. “Ja toch, Steven? Als er iemand is die Alle Dagen Heel Druk is dan ben jij het wel.” En inderdaad, Van Eijck is op zijn zachtst gezegd een aanwezig persoon.

Een man ook met vele kanten. Hij is lid van een overlegcommissie van de Rooms-Katholieke Bisschoppenconferentie, heeft thuis een eigen geluidstudio met drum en gitaar die hij zelf bespeelt, is gepromoveerd als fiscaal econoom en werd - na een korte carrière als staatssecretaris van Financiën - in 2004 benoemd in zijn huidige functie. Hij spreekt op een geestdriftige, gedreven manier, doorspekt met humor en relativeringen, maar weet tegelijkertijd heel goed wat hij wil. En op dit moment is dat het vormgeven van Operatie Jong, een samenwerkingsverband van de ministeries van VWS, OCW, Justitie, SZW en BZK dat de knelpunten in het jeugdbeleid wil aanpakken. In deze interviewestafette ondervraagt Roland Wondolleck (Rotterdam Airport) Steven van Eijck (Commissie Jeugd en Jongerenbeleid).


Je zit hier mooi...


“Het is inderdaad een schitterend ‘kasteel’ waarin ik allerlei leuke en vooral abstracte dingen mag bedenken. Maar voor mij telt maar één ding. Het resultaat onder de streep. Hoeveel jongeren hebben we concreet kunnen helpen? Ik wil me vooral niet verliezen in decorum.”


Je bent de machtigste man van Nederland, zo lees ik wel eens. Machtiger dan het hele kabinet bij elkaar. Je gaat over de jeugd, en die heeft immers de toekomst. Verder ken je alles en iedereen en hebt overal vingers in de pap. Klopt dat?


“Hou eens op zeg. Daar ga ik niet op in. Die uitspraken laat ik bij voorkeur aan anderen over. Volgende vraag graag”, buldert Van Eijck, terwijl hij heen en weer op zijn stoel wipt.


Laat ik het zo zeggen: de toekomst van ons land ligt deels in jouw handen. Wat kunnen we verwachten van het jeugdbeleid?


“Het belangrijkste is dat er bruggen worden geslagen tussen de overheid en de weerbarstige praktijk, de kloof tussen de onbegrepen politiek en de burger. Die kloof is weliswaar al jaren veelbesproken, maar er wordt veel te weinig gedaan om die te dichten. Dat vereist namelijk visie en doorzettingsmacht. Ik ben zeer van plan dit wél te doen. Kijk. Het probleem is dat onze overheid tot nu toe vooral aanbodgericht bezig is geweest. De overheid bedenkt wat goed is voor de burger en de burger heeft dat maar te accepteren. Ook als hij er eigenlijk helemaal niet op zit te wachten.”


Een voorbeeld van aanbodgericht overheidsdenken?


“De overheid ziet ondernemers bijvoorbeeld niet als ondernemers, maar als een groep die een aanzienlijke bijdrage levert aan de collectieve lastenfinanciering, als een mogelijkheid om werkgelegenheid te creëren, als een belasting voor het milieu. De overheid zet niet de kracht van de ondernemer als ondernemer centraal. Hetzelfde geldt voor het jongerenbeleid. Er wordt veel gesproken over jongeren en de problemen die ze met zich meebrengen. Maar er wordt veel te weinig gedacht vanuit de behoeften en mogelijkheden van de jongeren zelf.”


Jouw opdracht is het om die brug te slaan?


“Precies. Mij gaat het er nu in eerste instantie om, om de zeven verschillende departementen die op een of andere manier met jeugdzaken bezig zijn, op elkaar af te stemmen. Ze moeten eenvoudigweg van elkaar weten wat ze doen.”


Hoe manage je dat dan?


“Dat is niet eens zo heel ingewikkeld. Er zijn simpele methodieken voorhanden om die dynamiek te ontketenen. Je hebt bijvoorbeeld draagvlak nodig. Dat creëer je door mensen te laten zien dat wanneer ze op een bepaalde manier werken, dit ook daadwerkelijk de gewenste resultaten oplevert. Dat betekent dat ik de bewindslieden van de diverse departementen, inclusief secretarissen- en directeuren-generaal, bij elkaar zet en allemaal naar hetzelfde ‘probleemkind’ laat kijken. Een ieder kan dan zijn kennis en ervaring laten zien, deze uitwisselen en men kan van elkaar leren. En dan blijkt ineens dat een aantal departementen hun eigen wiel aan het uitvinden zijn. Door de kennis te bundelen en beter met elkaar te communiceren zien ze dat ze sneller betere resultaten kunnen behalen. Daar wordt iedereen enthousiast van.”


Wie zijn die jongeren waar we het over hebben?


“In feite hebben we het over alle jongeren van nul tot drieëntwintig jaar. Sommige groepen daarvan hebben extra ondersteuning nodig, maar je moet wel weten welke dat zijn. We moeten ze dus allemaal door de molen halen.”


Dat klinkt als een omvangrijke klus...


“Dat is het ook. En dus heb ik een voorstel ingediend voor een elektronisch kinddossier. In dit dossier staat alle relevante informatie. Van de eerste bezoekjes aan een consultatiebureau tot en met de woonomstandigheden, inkomenssituatie van de ouders. Als blijkt dat de ouders bijvoorbeeld aan de verdovende middelen verslaafd zijn en de woonsituatie slecht is, moeten bij de hulpinstanties de alarmbellen gaan rinkelen.”


En dan?


“Precies. Want daar blijft het natuurlijk niet bij. Die instanties moeten namelijk ook nog eens met elkaar gaan communiceren. Vooralsnog zijn ze vaak te veel op hun eigen afgebakende disciplines en functieomschrijvingen gericht. Een school is er bijvoorbeeld om een diploma af te geven en niet om een kind aan een baan te helpen. We moeten af van die hokjesgeest, over de schuttingen heen leren kijken en met elkaar samenwerken aan één gemeenschappelijk doel: ervoor zorgen dat kinderen goed terechtkomen in de maatschappij.”


Hoe regel je dat praktisch gezien?


“In de eerste instantie vraag ik aan de diverse partijen aan welke punten de regering iets moet doen. Die knelpunten inventariseer ik en daar maak ik een ambitiedocument van. Let wel: ik noem het heel bewust geen ‘plan van aanpak’. Dat impliceert dat het tijd en geld kost en weerstand onvermijdelijk is.”


Een ambitiedocument dus...


“Precies. Eerst moet ik namelijk draagvlak creëren in het veld, daarna bij de Tweede Kamer en uiteindelijk bij de departementen. Dat doe ik met zo’n document. ‘Dit waren toch de knelpunten?’ zeg ik dan tegen de diverse partijen in het veld. ‘Nou, dit zijn de voorgestelde oplossingen. Is er goed naar jullie geluisterd? Of hebben we met z’n allen iets gemist?’ Ik leg de plannen voor aan de grootste criticasters. Als iedereen zijn zegje heeft gedaan en men gezamenlijk tot een gemeenschappelijke noemer is gekomen, is daarmee het draagvlak gecreëerd. Pas dan laat ik alle betrokken departementen een plan van aanpak opstellen, waarmee ik naar de ministerraad ga. Maar het lastige traject is dan al achter de rug. De praktijk en de politiek zijn dan al verbonden. Dan kan de zaak in beweging komen.”


De jeugd van tegenwoordig deugt niet, zo wordt al snel gezegd. En sommigen - lees allochtonen - nog minder. Hoe ga je om met die vooroordelen?


“De verschillen in beelden tussen allochtonen en autochtonen zoals ze nu bestaan, zijn volledig achterhaald. Die tweedeling is volkomen zinloos. Veel beter is het een onderscheid te maken tussen jeugd die wél, en jeugd die niet mee wil doen met deze maatschappij. Want dat is toch waar het uiteindelijk om gaat? Jongeren die iets van hun leven willen maken, en jongeren die niet willen deugen. Dát is een zinvolle tweedeling. Dat is één manier om te proberen de vooroordelen weg te halen. Een volgende manier is om mensen te laten zien dat we met onze gekleurde medeburgers goud in handen hebben. We wachten echter tot het veranderd in zilver, brons en uiteindelijk niets meer waard is. Neem nu de Turkse en Marokkaanse jongeren. Zij zijn bij uitstek geschikt om zaken te doen in de achterlanden van Aziatische landen. Bedrijven willen daar toch zo graag voet aan de grond krijgen? Nou, pak die kans dan met beide handen aan.”


Toch nemen werkgevers nog steeds bij voorkeur blanke mensen aan met een christelijke achtergrond.


“En toch is dat jammer. Bedrijven willen winst maken, niet? Hoe kun je nu optimaal presteren met een personeelsbestand dat in de verste verte geen afspiegeling is van het klantenbestand. Turken en Hindoestanen willen ook kredieten en hypotheken afsluiten. En die willen graag worden bediend door medewerkers van eenzelfde afkomst. Je gaat als ondernemer in een hippe kledingzaak voor jongeren, toch ook geen conservatieve oude medewerkers neerzetten? Je stemt de groepen zoveel mogelijk op elkaar af. Bedrijven die deze aansluiting missen met de maatschappij, zijn wat mij betreft dief van eigen portemonnee. Het gaat hier niet eens over maatschappelijke verantwoordelijkheid maar over welbegrepen eigenbelang.”


Je bent ook voorzitter van de Economic Development Board Rotterdam (EDBR), een initiatief van college van B&W om de economie te stimuleren dat wel de ‘buitenboordmotor van de Rotterdamse economie’ wordt genoemd. In het kader hiervan gaat Rotterdam Airport bijvoorbeeld in 2006 vijftig Antillianen opleiden op de luchthaven. De kussens zijn opgeschud door de EDBR?


“We zijn nog maar net begonnen. Rotterdam is toe aan een nieuwe wederopbouw. De stad heeft vandaag de dag met heel andere problemen te maken dan tijdens de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. We staan steeds op de verkeerde lijstjes. Veel criminaliteit, veel drugs. De EDBR doet er nu alles aan om deze prachtige Phoenix aan de Maas uit de as te laten herrijzen. En het is een prachtige stad, met vele mogelijkheden. Maar die moeten we wel willen en durven zien. En dat gebeurt ook. We hebben al veel bedrijven op weg kunnen helpen. Ook daar waar het gaat om kleurrijk personeelsbeleid.”


Zelf ben ik Duitser en geboren in 1953. Ik mocht van mijn ouders niet zeggen dat we van Duitse afkomst waren. Sinds de komst van ‘andere’ allochtonen in Nederland is Duits zijn geen thema meer. Het probleem is verschoven naar een volgende groep. Hoe kunnen we daar voor eens en altijd een eind aan maken?


“Door elkaar te leren kennen. Ik heb onlangs een directeurencarrousel georganiseerd waarbij directeuren van diverse departementen een week lang bij elkaar mochten kijken. Dat werkte enorm goed. Men kreeg hierdoor begrip voor elkaar. Laten we dus ook maar eens organiseren dat blanke managers in aanraking komen met gekleurde medewerkers. Alleen op die manier kunnen vooroordelen worden weggenomen. En probeer vooral vanuit nieuwsgierigheid te opereren. Niet vanuit angst voor het onbekende.”


Onbekend maakt onbemind?


“Precies. We moeten ons meer in elkaar verplaatsen. Zo ken ik een jongeman die een paar jaar geleden naar China ging om daar wat bedrijfsonderdelen op te zetten. Toen hij weer terug in Nederland kwam, was hij volledig de weg kwijt. Hij wilde er maandenlang niet over praten. Uiteindelijk kwam hij los en vertelde hoe het voor hem was geweest om alleen te zijn in een land waar hij de taal niet sprak en waar hij tot op het bot werd gediscrimineerd. Hij was erdoor gebroken. Verplaats dat beeld nu eens naar onze gekleurde medeburgers. Ook zij zitten voor een groot deel in een andere leefwereld dan de onze. Maar dat betekent niet dat we geen gemeenschappelijke doelen kunnen nastreven. Mits we onze kortzichtigheid overboord gooien.”

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 4 | 1 Waardering

Meer achtergrond artikelen