Mirjam van Praag: ‘Innovatie vergt een systemische aanpak’
07-04-2026 | Interviewer: Tjarda Molenaar | Auteur: Ellis Bloembergen | Beeld: Gregor Servais
Op Nederlandse universiteiten barst het van de ideeën. Excellente wetenschappers doen fundamenteel onderzoek en genieten internationaal aanzien. Onderzoeksresultaten worden van oudsher vooral besproken op wetenschappelijke conferenties en seminars en gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. Zo blijven deze resultaten dus voornamelijk binnen de muren van de academische wereld. Langzaam worden die muren neergehaald. Mirjam van Praag, nu voorzitter van de Adviesraad Wetenschap, Technologie en Innovatie (AWTI) en hoogleraar ondernemerschap en leiderschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam en voormalig voorzitter van het college van bestuur van dezelfde universiteit, zet zich al jaren in om academische kennis te verbinden aan de praktijk om zo te komen tot toepassingen die bijdragen aan het creëren van maatschappelijke waarde en welvaart.
In haar rol als AWTI-voorzitter adviseert ze regering en parlement onder meer over hoe innovatie kan worden aangejaagd. Ze benadrukt dat ‘silodenken’ daarbij funest is. ‘Innovatie ontstaat vooral waar wetenschap, ondernemers, overheid en kapitaal samenkomen.’ Van Praag nam deel aan de klankbordgroep die oud-ASML-topman Peter Wennink ondersteunde bij het schrijven van zijn rapport De route naar toekomstige welvaart. Daarin staat de belangrijke vraag centraal hoe Nederland zijn concurrentievermogen kan vergroten en zo de welvaart voor toekomstige generaties kan veiligstellen. Van Praag noemt het rapport belangrijk en urgent, maar mist tegelijkertijd een brede visie op innovatie die nodig is voor complexe maatschappelijke uitdagingen. In een gesprek met Tjarda Molenaar, directeur van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen, legt ze uit: ‘Vroeger was innovatie aanbodgedreven: er werd iets moois bedacht en vervolgens werd eventueel gekeken hoe een technologie kon worden vermarkt. Dat model werkt niet meer. We staan voor zoveel complexe maatschappelijke uitdagingen dat we sterk vanuit de vraagkant moeten denken. Daarvoor moet je vanaf het begin alle relevante partijen erbij betrekken.’
Je bent voorzitter van de Adviesraad voor Wetenschap, Technologie en Innovatie. Wat doet deze raad precies?
‘Wij adviseren de regering en het parlement gevraagd en ongevraagd over vraagstukken op het snijvlak van wetenschap, technologie en innovatie. Die drie elementen zijn sterk met elkaar verbonden. Zonder goede wetenschap heb je uiteindelijk geen sterke innovatie. Goede technologie ligt ook vaak aan de basis van innovatie – al is sociale innovatie ook belangrijk. Om enkele voorbeelden te geven: we brengen adviezen uit over hoe je innovatie inzet voor de energietransitie, of hoe de overheid innovatiebeleid effectief kan organiseren. Zo hebben we recent geadviseerd over de vraag hoe je als overheid structureel investeringen in innovatie kan aanjagen met als doel een weerbare en welvarende samenleving.’
De raad brengt ook ongevraagd advies uit. Waarover kan het dan gaan?
‘Dat kan gaan over onderwerpen waarvan we signaleren dat ze urgent zijn of nog onvoldoende op de politieke agenda staan. We kiezen er dan voor om uit eigen beweging een advies te maken. Zo beschrijft het werkprogramma van de AWTI jaarlijks enkele thema’s. De input halen we op door gesprekken met stakeholders, zoals secretarissen-generaal bij de overheid, bestuurders bij bedrijven, kennisinstellingen, planbureaus, collega-adviesraden en maatschappelijke organisaties zoals NWO en meer. Heel breed dus. Op dit moment werken we onder meer aan een ongevraagd advies over practoraten. Terwijl hoogleraren op universiteiten fundamenteel onderzoek doen, en lectoren op hogescholen toegepast onderzoek, kennen mbo-instellingen zogenoemde practoraten, ofwel praktijkgericht onderzoek. Dit is minder bekend. Innovatie gaat immers niet alleen over kennis ontwikkelen, maar ook over kennis toepassen en implementeren. Bijvoorbeeld kennis over zonnepanelen installeren of kennis die nodig is om nieuwe producten te ontwerpen die in de zorg prettiger werken voor verpleegkundigen en patiënten. Practoraten kunnen een toevoeging zijn aan de innovatieketen en een brug slaan tussen onderzoek, onderwijs en de praktijk, zodat innovatie ook daadwerkelijk toegepast kan worden.’
Je zat in de klankbordgroep die met Peter Wennink meedacht over zijn rapport De route naar toekomstige welvaart. Wat hield die rol concreet in?
‘Als klankbordgroep hadden we een reflecterende, adviserende rol. We kregen in verschillende rondes conceptversies van het rapport en gaven daar feedback op, zowel schriftelijk als tijdens bijeenkomsten. Wij zijn geen mede-auteurs van het eindrapport. We hebben input geleverd vanuit onze expertise, maar het is aan de auteurs wat ze daarmee doen. Wat ik heb ervaren, is dat onze input zeker is meegenomen, al was dit natuurlijk niet altijd precies hoe individuele leden dat misschien hadden gewild. Maar dat is inherent aan zo’n proces.’
Wat vind je van het Rapport Wennink?
‘Ik vind het een belangrijk en noodzakelijk rapport. Het is goed dat er op dit niveau wordt nagedacht over de investeringsagenda en de toekomst van het Nederlandse innovatie- en technologiebeleid. De urgentie is heel scherp neergezet. We moeten als land echt stevig investeren om economisch en strategisch relevant te blijven. Daar ben ik dus positief over. Tegelijkertijd vind ik dat het rapport op enkele punten een stap verder had mogen gaan.’
Wat mis je precies?
‘Wat ik mis, is voldoende aandacht voor het systemische karakter van innovatie. Zoals gezegd was innovatie vroeger aanbodgedreven. Er werd iets moois bedacht en vervolgens werd er eventueel gekeken of en hoe het kon worden vermarkt. Dat past niet meer. Tegenwoordig staan we voor grote, complexe maatschappelijke uitdagingen – denk aan de energietransitie, de zorg of de voedseltransitie. Die realiteit vraagt innovatie die vanuit die behoeften georganiseerd moet worden, vanuit de vraagkant. Je zult vanaf het begin alle relevante partijen erbij moeten betrekken: wetenschappers, bedrijven, financiers, overheden én eindgebruikers. Een systemische aanpak betekent ook dat je de ontwikkeling van innovaties niet alleen vanuit de technologie insteekt, maar ook de niet-technologische aspecten zoals gedragskennis, nieuwe marktordeningsmodellen en regels integraal meeneemt. Dus dat technologische en sociale innovatie en institutionele veranderingen samen opgaan. Overigens kan er alsnog voor deze systemische aanpak worden gekozen. Dat is nu aan het kabinet. In het coalitieakkoord komen veel aanbevelingen uit het Wennink-rapport terug.’
Waarom is een systemische aanpak belangrijk?
‘Omdat je anders belangrijke veranderingen die nodig zijn voor een transitie niet meeneemt. Neem de energietransitie. We hebben in relatief korte tijd veel innovaties gerealiseerd om duurzame energie met zon en wind op te wekken. Dat is een enorme prestatie. Maar het systeem eromheen – het netwerk, de opslag, het gedrag van gebruikers, regels – is onvoldoende meegenomen. Daardoor lopen we nu tegen beperkingen aan, zoals de netcongestie. Dat hadden we deels kunnen voorkomen door vanaf het begin systemischer te denken.’
Het rapport kiest voor vier technologische clusters. Is dit de juiste aanpak?
‘Ja, focus is belangrijk. Je kunt als land niet overal in excelleren. Ik zou alleen wel liever, zoals ook in het regeerakkoord gebeurt, spreken van vier maatschappelijke uitdagingen dan van vier technologieën. Wat werkt, is het bouwen van sterke ecosystemen of innovatieclusters rond specifieke domeinen, waar wetenschappers, ondernemers, financiers en andere partijen structureel samenwerken. In zulke ecosystemen wordt kennis sneller omgezet in toepassingen en bedrijven. En dat is precies waar Nederland nog vaak tekortschiet. Dat staat bekend als de innovatieparadox: we hebben sterke universiteiten en excellente onderzoekers, maar de stap naar valorisatie blijft achter.
Een geslaagd voorbeeld van zo’n innovatiecluster is Biotech Booster. Ik ben niet geheel neutraal want ik heb het zelf opgericht samen met Annemiek Verkamman van Holland Bio. Het initiatief richt zich op het omzetten van slimme wetenschappelijke resultaten in de biotech naar praktische toepassingen die door ondernemers op de markt worden gebracht. Dit innovatiecluster brengt vanaf het begin wetenschappers, ondernemers, financiers en gebruikers bij elkaar. Deze bijeenkomsten zijn heel inspirerend. Alle actoren in de keten zorgen ervoor dat kansrijke en opschaalbare ideeën die maatschappelijk en economisch waardevol zijn voor het land via succesvol ondernemerschap op de markt worden gebracht. Zo wordt kennis sneller effectief toegepast, met startups en scale-ups.’
Wat betekent het plan van Wennink voor ondernemers in Nederland? Zowel voor startups, scale-ups als mkb’ers en grote bedrijven?
‘Ondernemers zullen ervan profiteren, mits het goed wordt uitgevoerd. Ten eerste door het voornemen om hinderlijke regels en procedures sneller en beter in te richten. Ten tweede kan de link tussen wetenschap en toepassing via regionale innovatieclusters, waarover in het coalitieakkoord wordt gesproken ondernemers helpen te innoveren. Daarnaast zou het Nederlands Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI), een soort speeltuin kunnen creëren voor ondernemers. Hier kunnen zij hightech- en doorbraakinnovaties in een veilige omgeving testen en uitwerken.
Ten slotte, als we erin slagen om de financieringskloof te overbruggen, verwacht ik dat we meer scale-ups in Nederland kunnen behouden – en misschien zelfs nieuwe scale-ups naar Nederland kunnen halen. Voor snelgroeiende, innovatieve bedrijven is het nu vaak lastig om voldoende kapitaal aan te trekken; er is te weinig geduldige, risicovolle financiering om productie uit te breiden, nieuwe markten te bereiken of internationaal te groeien.’
Hoe bepalend is regelgeving bij het aanjagen van innovatie?
‘Regelgeving is vaak een onderbelicht, maar cruciaal onderdeel van innovatie. Er zijn bijvoorbeeld regels nodig om intellectueel eigendom te beschermen. Regels kunnen innovatie stimuleren, zoals emissie-eisen hebben bijgedragen aan steeds zuinigere en elektrische auto’s. Maar regels kunnen ook belemmerend werken, zeker als ze niet aansluiten bij nieuwe technologieën. Dat vraagt om voortdurende aanpassing en soms ook om durf.’
Welke rol zou de overheid moeten spelen?
‘De overheid moet op een slimme manier richting geven en randvoorwaarden creëren. En ook: partijen bij elkaar brengen en zorgen dat ecosystemen ontstaan en functioneren. Als dat goed gebeurt, kan de overheid een enorme katalyserende rol spelen. Er wordt al snel minzaam over “industriepolitiek” gesproken als de overheid een sturende rol gaat spelen. Die negatieve associatie bij industriepolitiek begrijp ik, omdat er in het verleden verkeerde keuzes zijn gemaakt. Het gaat erom dat we investeren in onderwerpen waar veel innovatie nodig is, waar we zelf sterk in zijn of waarvan het sowieso belangrijk is dat we daarin in Nederland investeren. Zo kan de overheid de juiste richting aangeven, maar bepaalt de markt hoe dat wordt ingevuld. Ondernemers maken hun eigen afwegingen en beslissen waar ze op inzetten. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld cruciale onderdelen gaan ontwikkelen en produceren die aansluiten bij de energietransitie. Ondernemers denken niet automatisch: wat is het beste voor het land? Daarom is enige bijsturing handig. Dat kan door beprijzing en normering, het helpen bouwen van aantrekkelijke innovatieclusters of door investeringen in sommige domeinen aantrekkelijker te maken.’
Je werkt veel met ondernemers. Zou een scherpere uitleg van de maatschappelijke doelen hen ook intrinsiek motiveren?
‘Zeker, maar er is al veel intrinsieke motivatie. Misschien wel meer dan we vaak denken. Vooral bij jongere generaties ondernemers en bij ondernemers vanuit de wetenschap is dat sterk. Die beginnen vaak niet met het idee “ik wil geld verdienen”. Ze hebben vooral een missie: ze willen met hun bedrijf een probleem oplossen. Dat kan gaan over gezondheid, duurzaamheid, mentale zorg – noem maar op. Natuurlijk moet er uiteindelijk een verdienmodel zijn, maar de drijfveer is vaak inhoudelijk. Het klassieke beeld van de ondernemer die puur op winst gericht is, is echt achterhaald – zeker in deze context.’
Hoe verhoudt Nederland zich tot Europa als het gaat om innovatie en strategische keuzes?
‘Dat is een belangrijke vraag. Wennink benadrukt dat Nederland strategisch relevant moet zijn in Europa, en dat is een goed punt. Maar we moeten met elkaar nog wel een grote puzzel leggen. Wat gaan we in Nederland doen, rekening houdend met onze sterke punten en schaarse middelen? Wat kan Europees worden georganiseerd, en wat halen we elders vandaan?
Veel ondernemers zouden daarnaast groter moeten denken dan alleen Nederland. Studies laten zien dat Nederlandse ondernemers vaak te klein denken, niet zo ambitieus zijn, terwijl de Europese markt veel kansen biedt. Risicovolle investeringen in nieuwe technologieën hebben bovendien schaal nodig, dus de Europese markt en het Europese kapitaal zijn cruciaal. Tegelijkertijd moeten regelgeving en samenwerking goed op elkaar afgestemd zijn, zodat bedrijven makkelijker Europees kunnen opschalen.’
Heb je tot slot suggesties over hoe we de samenwerking tussen wetenschap, ondernemers en overheid kunnen verbeteren?
‘Op universiteiten worden stappen gezet, al is de erkenning van en waardering voor de inzet van academici om onderzoek nog meer waarde te laten krijgen door stappen te zetten richting praktische toepassing nog onvoldoende. Het gaat er niet alleen om dat onderzoekers publiceren, maar ook dat hun onderzoek leidt tot nieuwe bedrijven of tot samenwerking met ondernemers die hun ideeën naar de markt brengen. Wat vaak wordt onderschat, is het culturele verschil tussen groepen, zoals wetenschappers en ondernemers. Ik heb zelf wel eens workshops gegeven over dit thema. Hoe werk je nou goed samen als je zo verschillend bent? In de praktijk zie je dat er best veel vooroordelen zijn. En eerlijk gezegd: sommige kloppen ook. Ondernemers zijn vaak snel en pragmatisch, quick and dirty. Wetenschappers zijn vaak voorzichtiger en willen alles eerst uit en te na bewezen zien. Juist als je die eigenschappen benoemt – soms met een beetje humor – leidt dat tot toenadering. Dan denken mensen: oh ja, zo zit jij erin. Uiteindelijk gaat het om houding. Dat je elkaars manier van werken begrijpt en erkent dat die verschillen complementair zijn. Dan zie je dat samenwerking ineens wél gaat lopen.’
Je doet ook onderzoek naar ondernemerschap en leiderschap. Welke eigenschappen zijn relevant voor onze toekomstige innovatieopgave?
‘Het is heel interessant dat ondernemers op een aantal punten sterk verschillen van managers of bestuurders. Ondernemers zijn nieuwsgieriger, optimistischer, intuïtiever en minder risico- avers. Op enig moment viel bij mij het kwartje dat veel van die eigenschappen lijken op die van kinderen. Speelsheid, het willen experimenteren en niet bang zijn om te falen: dat zijn allemaal “kinderlijke” eigenschappen die innovatie kunnen stimuleren. Ik pleit ervoor om deze eigenschappen meer ruimte te geven, ook in grote organisaties en bij overheden.’
Hoe doe je dat concreet? En wat kunnen bedrijven daarvan leren?
‘Door ruimte te maken voor experiment, door falen niet meteen af te straffen, en door creativiteit te stimuleren. We doen daar nu ook onderzoek naar, bijvoorbeeld met interventies zoals improvisatietheater in organisaties. Het idee is simpel: als mensen meer durven spelen en experimenteren, worden ze creatiever en innovatiever. Dat is precies wat we nodig hebben bij de uitvoering van de innovatieopgave.’
Reageren? Mail ons op redactie@scopebusinessmedia.nl
Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 04 2026.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op 07-04-2026