Innovatie is groeimotor

30-03-2007 | Auteur: Mathijs Bouman | Beeld: ThielenPeters

Innovatie is groeimotor
Innovatie is de motor achter groei. En concurrentie achter die van innovatie. Daar is Nederland nu juist geen ster in. Positief geformuleerd: de Nederlandse detailhandel heeft nog veel groeipotentie.

Wetenschappers zijn slecht in het beantwoorden van simpele vragen. De bekende weg loopt in de wetenschap vaak dood. Vraag aan een natuurkundige wat zwaartekracht precies is en hij zal je bedremmeld aankijken. Vraag een psycholoog wat het bewustzijn is of een astronoom naar de oorsprong van het heelal, en ze moeten het antwoord schuldig blijven. De economische wetenschap is geen uitzondering. Hoe ontstaat economische groei? Het is de meest logische vraag die je een econoom kunt stellen, maar een simpel antwoord heeft hij niet. Waarom blijft de ene maatschappij vastzitten in armoede, terwijl de andere er in slaagt om ieder jaar weer meer te produceren? “Tja,” antwoordt de econoom, “dat is een lastige, ik bel u straks terug...”

“Ik had een simpele vraag,” begint het boek, “waarom is het ene gebied welvarend, terwijl het andere er niets van bakt?” Met intelligentie kan het niets te maken hebben, meent O’Rourke, “want nergens op aarde zijn de mensen dommer dan in Beverly Hills, maar toch zwemmen ze daar in het geld. En terwijl in Rusland schaken een volkssport is, koken ze daar soep van stenen.” Aanwezigheid van grondstoffen is ook geen verklaring, schrijft de auteur. “Afrika heeft uranium, goud, diamanten en wat al niet meer, terwijl Scandinavië daar maar weinig van heeft, en ook nog eens bevroren is.” O’Rourke komt er niet uit. Hij bevindt zich in het goede gezelschap van de gehele economische wetenschap.

Puzzelstukjes

Toch is de zaak niet uitzichtloos. Er zijn de afgelopen jaren een aantal puzzelstukjes ontdekt die uiteindelijk het hele plaatje zouden kunnen opleveren. Daaruit blijkt dat evidente verschillen tussen landen, zoals aanwezigheid van grondstoffen en geografische ligging, nauwelijks een rol spelen. Dat had O’Rourke goed gezien. Grote olievondsten maken Noorwegen rijk, terwijl olieland Nigeria in de armoedespiraal blijft zitten. In Zuid-Korea eten ze kaviaar, in Noord-Korea boomschors. Het eerste puzzelstukje werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw gevonden door de latere Nobelprijswinnaar Robert Solow, toen hij een groeitheorie ontwikkelde waarin de voorraad aan kapitaalgoederen (machines, werktuigen et cetera) de centrale rol speelt. Alleen als bedrijven investeren, kan het inkomen per hoofd van de bevolking blijven stijgen. Om te investeren moeten bedrijven lenen, redeneerde Solow, dus de hoeveelheid spaargeld in een economie bepaald uiteindelijk het groeitempo. Het land met de meest spaarzame bevolking zal uiteindelijk de hoogste economische groei kennen. Een sympathieke theorie. Maar toen in de loop van de jaren zeventig de grenzen voor kapitaalverkeer in de geïndustrialiseerde wereld wegsmolten, raakten binnenlandse besparingen en investeringen ontkoppeld. Bedrijven waren niet meer afhankelijk van binnenlandse besparingen, maar konden op de internationale kapitaalmarkt lenen. Desondanks bleven er tussen landen grote verschillen in groei - in tegenspraak met de theorie van Solow. Economen moesten op zoek naar een nieuwe verklaring van economische groei. Begin jaren tachtig schreef een jonge Amerikaanse econoom, Paul Romer, een proefschrift over het verband tussen kennis en groei. Volgens Romer zijn kennis en technologie de ware stuwkracht van economische ontwikkeling. Investeringen blijven belangrijk in zijn ‘endogene groeitheorie’, maar het maakt veel uit of het om meer van hetzelfde soort kapitaalgoederen gaat, of dat er wordt geïnvesteerd in nieuwe technologie.

Het Eureka-moment

De belangrijkste bijdrage van Romer is dat hij laat zien hoe nieuwe technologie ontstaat. Het is in Romers wereld niet de solistische uitvinder die met een toevallig Eureka-moment de technologie een stap verder helpt. Kennis groeit in kleine stapjes, volgens processen die door bedrijven vrij goed te beheersen zijn. Hoe groter de voorraad technologische kennis in een economie, des te makkelijker is het om weer nieuwe kennis te laten ontstaan. Philips genereert ieder jaar veel nieuwe patenten, juist omdat het een grote kluis vol oude patenten heeft staan. Kennis leidt tot nieuwe kennis en een economie die het kunstje eenmaal door heeft, blijft volgens Romer structureel groeien. Romers inzichten hebben grote invloed op het economisch beleid gehad. Als groei ontstaat uit kennis, ligt er een taak voor de overheid om het kennisniveau van de bevolking te vergroten. Investeren in kennis en technologie betaalt zich dubbel en dwars terug, want een enkele impuls leidt tot langdurig hogere groei. Stond in de jaren zestig en zeventig het economische beleid nog in het teken van industriebeleid en bevordering van spaarzin, vanaf de jaren negentig zijn overheden overal ter wereld enthousiast aan de slag gegaan met Romers agenda. Stimuleren van R&D, technologie en innovatie werd de nieuwe hobby van politici en ambtenaren. Pleidooien voor beter onderwijs, technologiesubsidies en belastingmaatregelen om innovatie te stimuleren, staan in ieder verkiezingsprogramma. Ieder land heeft een innovatieplatform of iets wat daar op lijkt. En tientallen denktanks bedelven de hoofdsteden onder rapporten over technologiebeleid. Met - op z’n zachts gezegd - wisselende resultaten. Terwijl economen het eens zijn over het belang van R&D en innovatie, is over de effectiviteit van technologiebeleid veel minder zekerheid. Technologiesubsidies belanden vaak bij kansloze ideeën - anders had de markt ze wel gefinancierd. Belastingkortingen worden geïncasseerd voor projecten die zonder overheidssteun ook waren doorgegaan. Vaak neemt het management van een innovatief bedrijf eerst de beslissing om geld te steken in een bepaalde nieuwe technologie, en besluit de financiële man pas daarna ook nog even subsidiegeld aan te vragen.

Keihard gevecht

Er is ook een fundamenteler probleem. De theorie van Romer gaat er stilzwijgend van uit dat nieuwe kennis en technologie automatisch opborrelt uit oudere kennis en technologie. In werkelijkheid is het een taai en moeizaam proces dat van veel externe factoren afhankelijk is. Geld uitdelen aan bedrijven en universiteiten in de hoop dat de groeimotor zal aanslaan, heeft alleen zin als de factoren kloppen. Allereerst moet de overheid zorgen voor de juist instituties. Het rechtsysteem moet toegankelijk en eerlijk zijn, zodat de uitvinder en investeerder de vruchten van het werk plukken, en niet een oneerlijke concurrent of corrupte ambtenaar. Patenten, licenties en andere juridische regels rond eigendom moeten perfect in orde zijn. Je kunt nog zoveel technologiesubsidies geven, zolang de innovator niet zeker is dat de opbrengst van zijn inspanningen uiteindelijk op zijn eigen bankrekening terecht komt, blijft hij op z’n handen zitten. Dat klinkt evident, maar de regeringsleiders van de Europese Unie zien het verband nog altijd niet. Terwijl zij hoogdravende ambities over ‘de meest vernieuwende economie ter wereld in 2010’ formuleren, en de subsidiekraan in Brussel wijd opengaat, verzuimen zij al jaren om een simpel EU-patent te regelen. Door ruzie over het aantal talen waarin zo’n gemeenschapsoctrooi zou moeten worden gesteld (logisch lijkt één: Engels), komt het maar niet van de grond. Patenteren van een uitvinding in alle landen van de Europese Unie blijft daardoor een omslachtige en kostbare zaak. Minstens zo belangrijk als goede instituties is een flexibele economie. In 2002 schreef de invloedrijke Amerikaanse econoom William Baumol het boek The free-market innovation machine. Daarin legt de tachtigjarige auteur met jeugdige geestdrift uit dat alleen het marktmechanisme voor innovatie kan zorgen. Alleen in een kapitalistische economie, waarin ondernemerschap en concurrentie alle ruimte krijgen, kan zich ‘het wonder van de economische groei’ voltrekken. Volgens Baumol zijn het vooral de grotere bedrijven die voor de benodigde dynamiek zorgen. Het keiharde gevecht tussen oligopolistische bedrijven is de motor van innovatie en dus ook van groei. Gevechten als die tussen Toyota en General Motors, Airbus en Boeing, Apple en Microsoft, Google en Yahoo, zorgen dat de technologische grens steeds verder komt te liggen. Zonder rücksichtsloze concurrentie geen innovatie, en zonder innovatie geen groei. Maar dan moet die concurrentie natuurlijk wel de kans krijgen. Pogingen van overheden om bedrijven te beschermen tegen het harde gevecht op de markt brengen daarom de economische groei in gevaar. Het gebeurt vaak met de beste bedoelingen, maar afschermen van binnenlandse markten, subsidiëren van noodlijdende bedrijven en belemmeren van marktwerking hebben uiteindelijk tot gevolg dat de innovatiemachine van Baumol afslaat en de groei terugvalt. De overheid zou er juist voor moeten zorgen dat de druk op het eigen bedrijfsleven zo hoog mogelijk wordt opgevoerd, door scherp te letten op marktmisbruik en concurrentie vanuit het buitenland te verwelkomen.

Nederland laat het liggen

Dat laatste heeft Nederland traditioneel altijd al gedaan. Het bedrijfsleven is het gevecht op de wereldmarkt nooit uit de weg gegaan, en de dynamiek die dat teweeg bracht heeft ons een flink aantal innovatieve multinationals opgeleverd die zich kunnen meten met de mondiale concurrentie. Op andere terreinen is er echter nog een wereld te winnen voor de Nederlandse economie. Als Romer gelijk heeft, en R&D de drijvende kracht is achter groei, laat Nederland veel kansen liggen. De totale uitgaven aan R&D bedragen zo’n 1,8 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product. Het gemiddelde in de Oeso, de club van de dertig belangrijkste industriële landen, is 2,3 procent. In de succeseconomie van Finland wordt maar liefst 2,5 procent van het bbp aan R&D uitgegeven. Ook andere indicatoren laten zien dat Nederland achterblijft. Volgens berekeningen van de Oeso bedragen de Nederlandse uigaven aan kennis (de som van R&D, hoger onderwijs en software) 3,8 procent van het bbp. Gemiddeld is dat 5,1 in de Oeso, en in Finland zelfs 6,1 procent. Van iedere duizend Nederlandse werknemers zijn er 5,2 onderzoeker. In de dertig Oeso-landen is dat gemiddeld 8,3, terwijl er meer dan 17 Finse onderzoekers op iedere duizend werknemers rondlopen. Alleen op het gebied van patenten scoort Nederland bovengemiddeld. Per miljoen inwoners hebben Nederlandse bedrijven een kleine zestig zogenoemde ‘patentfamilies’ in handen. Dit zijn groepen bij elkaar horende patenten en volgens de statistici van de Oeso een betere indicator dan het het aantal afzonderlijke patenten. Het gemiddelde aantal patentfamilies in de Oeso bedraagt 54 per miljoen inwoners. Nederland doet het wat dat betreft bovengemiddeld - vooral dankzij patentenfabriek Philips. In Finland, overigens, staat de teller op 114. Gelukkig valt de relatief geringe Nederlandse R&D wel in een vruchtbare bodem. Als goed gedefinieerde eigendomsrechten, vrij ondernemerschap en marktwerking voorwaarden zijn voor succesvolle innovatie heeft Nederland veel potentie. Een van de meest brede indicatoren van economische vrijheid is de Index of economic freedom van de Amerikaanse Heritage Foundation. Volgens die ranglijst hoort Nederland bij de landen met een ‘grotendeel vrije’ economie. In landen als de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Zwitserland hebben ondernemers nog meer vrijheid, maar met een veertiende plaats hoort Nederland toch bij de mondiale subtop. Om die potentie te kunnen benutten, moeten de uitgaven aan onderwijs en onderzoek in Nederland omhoog - tenminste als we de economen geloven. De één miljard die het nieuwe kabinet extra uittrekt voor onderwijs is een goed begin. Maar niet meer dan dat. Om de achterstand in te lopen - of beter: om te zetten in een voorsprong - is meer geld nodig. Om bijvoorbeeld de uitgaven aan kennis op Fins peil te brengen, moet Nederland 2,3 procentpunt van het bbp extra uittrekken. Dat is ongeveer 11 miljard euro. De overheid hoeft dat bedrag niet helemaal voor haar rekening te nemen, het bedrijfsleven kan natuurlijk ook bijdragen. Bovendien is de vrije economie iets waarvoor iedere dag moet worden gevochten. Politici en ambtenaren hebben van nature een onbedwingbare drang tot regelen en organiseren. Abstracte zaken als marktwerking en vrij ondernemerschap delven al snel het onderspit als de burger klaagt over het bedrijfsleven of als belangengroepen lobbyen om staatsteun en bescherming van markten. Het is dan ook geen best teken dat in het regeerakkoord van het nieuwe kabinet het woord marktwerking geen enkele keer voorkomt. Jaren geleden klaagde toenmalig eurocommissaris Frits Bolkestein al dat er op het terrein van de marktwerking in Nederland een poolwind was opgestoken. De afgelopen tijd is die alleen maar verder aangewakkerd.

Het Wal-Mart-effect

Een goed voorbeeld van hoe de Hollandse regelzucht economische groei in de weg zit, is te vinden in de detailhandel. Het Nederlandse winkelbedrijf is een van de minst efficiënte van Europa. Volgens cijfers van de Oeso ligt de toegevoegde waarde per werknemer twintig procent onder het EU-gemiddelde, en zelfs veertig procent onder dat van landen als Duitsland, Finland en Zweden. De reden is volgens de Oeso dat in Nederland de winkels relatief klein zijn, waardoor investeringen in ICT hier minder snel rendabel zijn. Dat de detailhandel hier niet de benodigde schaal kan bereiken, komt niet omdat het publiek zo graag in kleine winkels shopt, maar door de vestigingsregels. De grote hypermarkten aan de rand van de stad, die de detailhandel in andere landen zo efficiënt maakt, wordt in Nederland onmogelijk gemaakt door wet- en regelgeving. Uit angst dat de binnensteden zullen leeglopen, doet de overheid er alles aan om supermarkten in de stad te houden. Dat als gevolg daarvan de sector technologisch achterblijft, wordt daarbij uit het oog verloren. Positief geformuleerd: de Nederlandse detailhandel heeft nog veel groeipotentie. Als de vestigingsregels worden versoepeld, kan dat de arbeidsproductiviteit een flinke impuls geven. Net zoals in de technologische ontwikkelingen in de Amerikaanse detailhandel dat gedurende de tweede helft van de jaren negentig voor de Amerikaanse economie deed. Volgens berekeningen van McKinsey is een kwart van de Amerikaanse productiviteitsgroei in die periode te danken aan de detailhandel. Het Wal-Mart-effect, zo doopten de onderzoekers dit fenomeen. Investeringen in ICT betalen zich in de VS dubbel en dwars terug, juist vanwege de grote schaal waarop Amerikaanse bedrijven als Wal-Mart kunnen opereren. Door de Nederlandse winkels kunstmatig klein te houden, kortwiekt de overheid economische groei. Naast de vestigingsregels gaat er nog veel meer mis in Nederland. De hoge administratieve lastendruk, de wildgroei aan instanties die het bedrijfsleven controleren - en voor de voeten lopen, de starre ontslagbescherming die bedrijven terughoudend maakt om het personeelsbestand uit te breiden, een immigratiedienst die maar mondjesmaat buitenlandse kenniswerkers binnenlaat. Er is weinig fantasie voor nodig om de lijst met Nederlandse groeibelemmeringen aan te vullen. Dat komt niet door onwil van de overheid. Het streven van politici en ambtenaren om de economische groei alle kans te geven, is oprecht. Maar in de dagelijkse beslommeringen van politiek en beleid raakt dat streven vaak ondergesneeuwd. De les voor de beleidsmakers moet dan ook niet zijn dat economen niet weten waar economische groei vandaan komt. Maar wel dat ze langzamerhand een goed idee hebben van wat die groei tegenwerkt. Gierigheid op het gebied van onderwijs en R&D en het belemmeren van vrije markten en ondernemerschap vormen een gegarandeerd recept voor economische stagnatie. Het is als motto te lang om boven de ingang van alle Haagse ministeries te schilderen, maar het zou niet misstaan.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 4 | 1 Waardering

Meer achtergrond artikelen