Sleutelen aan schoolresultaten

13-12-2013 | Interviewer: Jan Willem Maas | Auteur: Paul Groothengel | Beeld: Anouck Wolf

Sleutelen aan schoolresultaten

Schoolleiders en -bestuurders hebben moeite de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren, weet André de Jong, directeur-generaal van het Ministerie van OCW. Met programma’s als ‘School aan Zet’ kunnen scholen professionaliseren.

Tot voor kort keken buitenlandse schoolbestuurders met onverholen jaloezie naar het scholenmodel in Nederland, waar hun collega’s zelf in grote lijnen bepalen hoe en waaraan ze hun jaarlijkse budget uitgeven. En waar ouders de vrijheid hebben om, met hun kind, zelf een school uit te kiezen. Die autonomie voert terug op de roemruchte schoolstrijd van een eeuw geleden, die in 1917 uitmondde in gelijkstelling tussen bijzonder onderwijs en openbaar onderwijs, en verankering van de vrijheid van onderwijs in de grondwet (artikel 23).

Dat libertaire gedachtengoed spreekt menigeen binnen het onderwijs nog steeds aan, maar hoe zit het ondertussen met de kwaliteit van ons onderwijs? Dat blijft in absolute zin gelijk, constateert André de Jong, directeur-generaal primair en voortgezet onderwijs van het Ministerie van OCW, maar in relatieve zin leveren Nederlandse scholen al jaren in op buitenlandse scholen. Dat was vorig jaar reden voor het Ministerie van OCW om het programma School aan Zet te ondersteunen, dat scholen helpt hun onderwijs te verbeteren, op thema’s als opbrengstgericht werken, excellentie en hoogbegaafdheid en omgaan met verschillen. Vertegenwoordigers van School aan Zet voeren gesprekken met de ruim vijfhonderd bij hen aangesloten scholen om hun ambities op deze terreinen te helpen formuleren.


Een team van BCG-adviseurs werkte dit jaar in een pilot van drie maanden mee in het team van School aan Zet, om bij te dragen aan versterking van dit ondersteuningsprogramma voor scholen. Interviewer Jan Willem Maas, senior partner van BCG Nederland, gaat met De Jong in gesprek over het Nederlandse schoolsysteem.


Wat zijn de voordelen van het schoolmodel zoals we dat in Nederland kennen?
‘Het grote voordeel van ons huidige systeem is dat schoolbestuurders zelf de vrijheid hebben om voor hun school te bepalen wat de beste aanwending is van de middelen die ze vanuit Den Haag krijgen. De gedachte daarachter is dat zij als geen ander kunnen analyseren waar ze wel of niet in moeten investeren. En dat ze intrinsiek gemotiveerd en gekwalificeerd zijn om verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van hun onderwijs en de aanwending van de middelen. De tijd van alle kosten declareren bij het ministerie is gelukkig allang voorbij. Voor ons betekent dat dat wij de kaders stellen en het toezicht op de scholen regelen, zowel intern als extern. Ouders van leerlingen kunnen, als ze ontevreden zijn over de kwaliteit die de school hun kinderen biedt, hun kind van school halen. Dit systeem van checks and balances is volgens de OESO een uniek systeem om goed onderwijs te realiseren.’


Kleven er ook nadelen aan?
‘Zeker. We moeten vaststellen dat we in het voortgezet onderwijs niet de resultaten krijgen die we wensen. In het laatste verslag van de Onderwijsinspectie kunnen we lezen dat de ontwikkeling van de kwaliteit van het voortgezet onderwijs al een tijd stagneert. De kernvraag is dan: hoe kan dat met zo’n mooi systeem?’


Beamen schoolbestuurders dat de kwaliteit van hun voortgezet onderwijs stagneert?
‘Lang niet allemaal. Dat komt ook omdat ze zich nog erg laten leiden door het oordeel van de Inspectie. En die hanteert in haar rapport maar een paar smaken, waarvan het predicaat ‘basiskwaliteit’ verreweg het leeuwendeel vormt. Menigeen denkt dan: dat is goed genoeg. Punt is dat dat label in werkelijkheid aangeeft dat je als school net boven het minimum zit, dat je nog net geen probleemschool bent. In Nederland heeft 98 procent van de scholen het predicaat basiskwaliteit. Maar daarmee vallen verschillen in kwaliteit, die er natuurlijk wel zijn, helemaal weg. Daarom zou het goed zijn om binnen het predicaat basiskwaliteit meer te differentiëren, met meerdere kwaliteitsniveaus. Dat willen we ook gaan opzetten vanuit de Inspectie. Zodat scholen beter weten waar ze staan ten opzichte van andere scholen.’


Stagneert de onderwijskwaliteit op alle niveaus, van minder begaafde kinderen tot excellente kinderen?
‘Nee. We scoren nog steeds prima waar het gaat om minder goede leerlingen bij de les te houden. Het lukt onze scholen grosso modo om deze groep leerlingen voldoende vaardigheden en kennis bij te brengen. Maar we laten het ernstig liggen in het segment van de leerlingen die veel kwaliteiten hebben. Het lukt scholen niet of nauwelijks deze leerlingen permanent te blijven uitdagen, eruit te halen wat erin zit.’


Hoe verklaart u dat scholen, waar doorgaans zeer gemotiveerde mensen werken, worstelen met kwaliteitsverbetering van hun onderwijs?
‘Het ontbreekt hen aan de juiste informatie, waardoor ze niet goed weten waar ze op kunnen sturen. Daarnaast ontbreekt het hen in zekere mate aan bewustwording. En dan heb je ook nog te maken met wat ik noem de ‘handelingsverlegenheid’ van schoolleiders en schoolbestuurders: de meeste van hen hebben jarenlang voor de klas gestaan en kunnen daardoor niet meer onbevangen en kritisch naar zichzelf kijken. Ze hebben geen idee van hun sterke en zwakke punten. Ze zouden wat vaker in de spiegel moeten kijken, zichzelf wakker moeten schudden. Zonder inzicht in je eigen prestaties wordt het lastig om jezelf te verbeteren.’


Kunnen ouders en leerlingen die met de voeten stemmen scholen afdoende wakker schudden? Zodat de wal het schip keert?
‘Volgens mij gebeurt dat wel, maar is de signaalfunctie daarvan toch onvoldoende. Ouders vinden het heel moeilijk om de kwaliteit van een school te beoordelen. Het is vaak net als met ziekenhuizen: als de zusters maar aardig zijn en het eten is niet al te beroerd, dan zijn mensen al snel tevreden. En als dan het verkeerde been wordt afgezet, zijn ze te laat. Wij hebben zelf onze kinderen op een gegeven moment ingeschreven op een school in Haarlem, waar het hele gezin aanvankelijk erg enthousiast over was. Pas na anderhalf jaar kwamen we erachter dat we toch niet tevreden waren over de kwaliteit van onderwijs op deze school, en hebben we onze kinderen ervan afgehaald. Je weet als ouder gewoonweg niet waarop je je oordeel over de schoolkwaliteit kunt baseren. Daarom willen we als ministerie aan de ene kant meer prikkels geven om de onderwijskwaliteit te verbeteren, zoals met School aan Zet. En aan de andere kant willen we scholen de middelen geven om ouders, leerlingen en andere belanghebbenden goed te informeren.’


In hoeverre kan het Ministerie van OCW meer transparantie topdown opleggen?
‘Goed punt. Dat kunnen we niet en dat willen we niet. De tijd van ‘gij zult’ is voorbij en zou mensen in de sector ook niet motiveren om te veranderen. We willen juist samenwerken met teams van schoolleiders, leraren en wellicht ook leerlingen, hen een structuur aanbieden waarbinnen ze zelf ervaren en zien op welke punten ze hun onderwijs en alles daaromheen kunnen verbeteren. Het mooie aan de pilot die we met School aan Zet en met hulp van BCG hebben gedaan, is dat deelnemers heel gestructureerd werken. De adviseurs van BCG maakten namelijk gebruik van een model dat scholen heel praktisch helpt een lerende organisatie te worden. In de pilot merkten we hoe enthousiast scholen reageren op systematisch inventariseren, fasen onderscheiden en samen verbeteracties formuleren. Waarbij ze de zeggenschap over hun eigen regelruimte blijven behouden.’


Wat kwam er zoal concreet uit die pilot naar voren?
‘Neem het functioneringsgesprek. Binnen het onderwijs hebben die gesprekken tussen schoolleiders en leraren nog vaak het karakter van ik-ben-oké-jij-bent-oké. Leraren staan altijd maar in hun uppie voor de klas, aan directe feedback zijn ze niet gewend. Op dat punt valt dus veel te verbeteren. Het ontwikkelingsmodel waarmee we nu werken, onderscheidt vijf opeenvolgende kwaliteitsniveaus. Op het gebied van het geven van feedback kan een leraar dan opklimmen in kwaliteitsniveau door bijvoorbeeld input te vragen van leerlingen en die input bij het functioneringsgesprek tussen schoolleider en leraar te gebruiken. Het mooie van het model is dat het inzicht biedt hoe andere scholen, soms in andere landen, dat hebben opgepakt: wat vroegen zij precies aan die leerlingen? Met welke brief vroegen ze de ouders om toestemming om hun kind feedback te laten geven? Zo verbeter je dus op een heel praktische manier.’


En inhoudelijk, waar het gaat om de kwaliteit van het onderwijs?
‘Een van de thema’s van het model is opbrengstgericht werken. Een goed instrument daarbij is het schoolvolgsysteem zoals we dat kennen vanuit het primair onderwijs: op basisscholen toetsen we leerlingen een paar keer per jaar met de Cito- en de Nio-toets. De resultaten daarvan geven aan hoe ver die kinderen zijn in hun ontwikkeling. En in welke vakken, denk aan begrijpend lezen of rekenen. En waar de docent eventueel moet bijsturen. Dat gebeurt in het voortgezet onderwijs niet of nauwelijks, maar daar willen we wel naartoe.’


Probleem is toch vaak hoe je de data uit die toetsen moet analyseren en interpreteren?
‘Ja. Soms willen leraren die resultaten niet met elkaar delen of bespreken. Omdat ze niet weten wat ze ermee aan moeten, of omdat ze hun eigen onderwijsresultaten liever niet ter discussie stellen. Het vergt een kwetsbare opstelling. Als sector leren we van dit model hoe je schoolleiders en leraren kunt helpen te professionaliseren. Niet door te straffen maar door te inspireren, door aan te sluiten bij hun intrinsieke motivatie. Bij onderwijs kan dat ook makkelijk, want het gaat er niet om meer winst maken, zoals in het bedrijfsleven, maar om goed onderwijs voor onze kinderen. En wie wil dat nou niet?’


KWALITEITSIMPULS
Het programma School aan Zet helpt scholen binnen zowel primair, voortgezet als (voortgezet) speciaal onderwijs met het professionaliseren op zes deelterreinen. Meer dan vijfhonderd scholen hebben zich inmiddels aangesloten bij dit programma, dat wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van OCW.


BCG werkt via School aan Zet samen met dertien VO-scholen, vertegenwoordigers van de VO-Raad en het Ministerie van OCW aan verschillende verbeterinitiatieven, zowel op beleidsniveau als op praktisch niveau (zoals ondersteuning van docenten en teamleiders). Op basis van een soortgelijk (succesvol) onderwijsprogramma in Australië is het ontwikkelmodel Lerende Organisatie gebouwd, dat zich specifiek richt op de Nederlandse onderwijsmarkt.


Jan Willem Maas is senior partner bij BCG.


Het interview met André de Jong is gepubliceerd in Management Scope 09 2013.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 5 | 17 Waarderingen

André de Jong

Functies André de Jong


- Bestuursadviseur VOS/ABB
- Directeur-Generaal Primair en Voortgezet onderwijs Ministerie van Onderwijs
- Voorzitter College van Bestuur Stichting Protestants-Christelijk Onderwijs

Jan Willem Maas

Functies Jan Willem Maas


- Senior partner en managing director The Boston Consulting Group (BCG)
- Bestuurslid Nederlands Olympisch Comité

Meer interviews