Heleen Herbert: ‘De investeringsfunnel versterken’
25-08-2026 | Auteur: Ellis Bloembergen | Beeld: Gregor Servais
Minder regeldruk, toegang tot financiering en stabiel en voorspelbaar overheidsbeleid: de ambities van CDA-minister Heleen Herbert (Economische Zaken en Klimaat) sluiten aan bij de conclusies van het Rapport Wennink, dat vorig jaar verscheen en schetst hoe Nederland zijn verdienvermogen kan verbeteren.
Eén van de instrumenten die daarbij moet helpen, is de Nationale Investeringsinstelling (NII): een investeringsvehikel met een startkapitaal van 3 tot 5 miljard euro dat financiering gaat verstrekken aan bedrijven die dat niet zelfstandig op de private markt krijgen.
Herbert is energiek en positief ingesteld – ook als het gaat om de positie van Nederland. Hoe ze het ondernemersklimaat en de investeringsketen wil versterken, en denkt over de rol die de overheid daarin moet spelen, vertelt ze in een gesprek met Martijn van Dam. Hij is sinds juni vorig jaar voorzitter van de NVP, branchevereniging van investeringsmaatschappijen. Voor Van Dam is het ministerie van Economische Zaken geen onbekend terrein: van november 2015 tot september 2017 was hij hier, in het kabinet-Rutte II, staatssecretaris. Zijn werkkamer bevond zich destijds naast het kantoor van Herbert, waar het interview plaatsvindt.
Zowel Herbert als Van Dam studeerden technische bedrijfskunde. Herbert kon makkelijk leren, vertelt ze. Daarom overwoog ze ook kort een bètastudie zoals civiele techniek of lucht- en ruimtevaarttechniek in Delft. Toch koos ze voor technische bedrijfskunde in Twente en daar is ze achteraf blij om. Dankzij die studie leerde ze denken in systemen. Die competentie kwam goed van pas bij de NS en later bij Heijmans. Bij dit bouwbedrijf was ze sinds 2014 chief commercial officer en vervulde ze de laatste twee jaar de functie van strategisch directeur.
Wat was je drijfveer om ja te zeggen tegen deze ministerspost?
‘Ik riep al vroeg in mijn carrière dat ik ooit burgemeester wilde worden. Zo’n rol stond voor mij symbool voor wat ik belangrijk vind: verbinden, samen verantwoordelijkheid nemen en iets betekenen voor de samenleving. Vlak voor mijn 50ste vond ik dat ik die ambitie moest onderzoeken. Daarom volgde ik een oriëntatieprogramma voor burgemeesters, met stages bij twee gemeenten. Dat leidde tot het verrassende inzicht dat een burgemeestersrol helemaal niet bij mij paste. Ik ontdekte dat ik in het democratische proces weliswaar openstond voor ieders mening, maar dat ik zelf ook een mening heb en vervolgens graag bepaal wat we gaan doen.
Dankzij het programma realiseerde ik me dat ik veel energie kreeg van de dingen die ik deed bij Heijmans. Als bestuurder werkte ik samen met een team aan grote maatschappelijke doelen, zoals de energietransitie en het verbeteren van de leefbaarheid van binnensteden. Mijn drive om nog meer te kunnen betekenen voor Nederland maakte dat ik deze ministerspost met overtuiging heb aangenomen.’
Wat heeft je het meest verrast aan de manier waarop het in Den Haag werkt?
‘Ik vind het schokkend hoeveel tijd er gaat zitten in het aanpassen van wetgeving. Dat duurt al snel één of twee jaar. Ongelooflijk. Ook had ik me vooraf niet gerealiseerd dat ik als minister in eerste instantie vooral bezig ben met het uitvoeren van beleid dat door voorgangers is bedacht. Ik vervul dus nog vooral een procesrol, terwijl ik graag een impactvolle rol wil spelen. Daarnaast moet ik wennen aan de taal in Den Haag. Zo word ik hier als resultaatgedreven bestempeld, terwijl ik me niet herken in dat beeld. Voor mij staat “resultaatgedreven” voor kortetermijnsucces. In mijn oude omgeving werd ik juist gezien als visionair: daar past de term “impact” beter bij dan “resultaat”. Ik verkeer duidelijk nog in een overgangsfase.’
Het gebeurt niet vaak dat bestuurders uit het bedrijfsleven minister worden. Hoe ervaar je die overstap?
‘Mijn achtergrond is best uitzonderlijk, besef ik. Dat maakt mijn positie soms spannend. Als je een van de weinigen bent met een andere achtergrond, moet je meer moeite doen om een brug te slaan naar je omgeving. Het zou makkelijker zijn als er meer mensen met ervaring in het bedrijfsleven zouden rondlopen. Het is beslist geen aanklacht, maar ik vraag me wel geregeld af: moet ik nog beter leren hoe het hier werkt en me hiernaar voegen? Of moet ik juist vasthouden aan wat ik meeneem?’
Kun je een concreet voorbeeld geven?
‘Door mijn achtergrond ben ik gewend om me bij alles wat ik doe af te vragen wat de effectiviteit ervan is. Wat is het probleem dat we hier moeten oplossen? Wie zit daarop te wachten? Die vragen zijn voor mij sturend en richtinggevend – ik verbind ze aan elke beslissing. Ik merkte dat die aanpak hier aanvankelijk enigszins ontregelend werkte; het was niet vanzelfsprekend. Toch houd ik eraan vast, omdat ik ervan overtuigd ben dat we een stip op de horizon moeten hebben.’
Wat is je strategie om de Nederlandse economie te versterken?
‘In lijn met het Rapport Wennink en de afspraken in het regeerakkoord zetten we in op een structurele economische groei van minimaal anderhalf procent. Om die groei te realiseren, moeten we vooral productiever worden. We hebben simpelweg niet meer mensen die we kunnen inzetten. Tegelijkertijd moeten we weerbaarder worden, omdat we in een steeds turbulentere wereld leven. De strategie rust op drie pijlers. Allereerst moeten we gerichter innoveren. We zijn heel goed in kennisontwikkeling, maar het valoriseren van die kennis verloopt moeizaam. De tweede pijler richt zich op het financieren van innovatie. Er is genoeg kapitaal beschikbaar, maar hoe krijgen ondernemers dat los? Hoe zorgen we ervoor dat zowel kleine als grote investeerders aanhaken, en dat ze elkaar tijdig afwisselen? Hierbij moet de overheid ook een faciliterende rol spelen. De derde pijler is minstens zo belangrijk: er moet ruimte zijn om te ondernemen. Nederland kent op dit moment nog veel knelpunten, denk aan een te trage vergunningverlening, de stikstofproblematiek, netcongestie en dichtslibbende snelwegen. Al die dingen kan ik niet in mijn eentje oplossen vanuit Economische Zaken. We moeten samen slim aan de slag gaan.’
Hoe betrek je iedereen bij deze strategie?
‘Ik vind het belangrijk om optimistisch te beginnen. Zo activeer je mensen sneller dan wanneer we dit zouden doen uit angst of kwetsbaarheid. Ik zie mijzelf als een nuchtere idealist. Ik streef grote maatschappelijke doelen na en geloof daarbij dat de eerste, concrete stappen belangrijk zijn. Zo creëer je het vertrouwen om ook de volgende te zetten. Laten we niet vergeten dat Nederland echt goud in handen heeft. We beschikken over fantastische r&d-faciliteiten, blinken uit in kwantumtechnologie en hebben een sterke halfgeleiderindustrie. Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn: het glipt ons op enkele punten door de vingers. Ons investeringssysteem kent verschillende imperfecties.’
Welke imperfecties zijn dat? Waar lopen ondernemers die willen opschalen zoal tegenaan?
‘Het is duidelijk dat het aantal spin-offs vanuit universiteiten en onderzoeksinstellingen te laag ligt. We moeten dat aantal zien op te schroeven. Daarnaast is het de vraag hoe we startups door de zogenoemde valley of death trekken: de lastige fase tussen een eerste financieringsronde en een vervolginvestering, waarin veel veelbelovende jonge bedrijven omvallen of naar het buitenland vertrekken. Ik vind niet dat we elk jong bedrijf altijd moeten ondersteunen, maar waar sprake is van marktfalen moeten we er wel voor zorgen dat veelbelovende bedrijven in de opschalingsfase sneller kunnen doorgroeien. De echte vraag is hoe we alle schakels in die investeringsfunnel sterker maken en hoe we die beter op elkaar laten aansluiten.’
Welke rol zou de overheid hierbij moeten spelen?
‘De overheid mag nooit de grote financier van het systeem worden. Wij moeten niet concurreren met marktpartijen – dat zou een verkeerde besteding van belastinggeld zijn. We willen vooral de katalysator zijn wanneer de markt iets niet oppakt, terwijl bepaalde investeringen maatschappelijk en economisch wel belangrijk zijn.’
Hoe wordt voorkomen dat de toekomstige Nationale Investeringsinstelling te sturend wordt?
‘Samen met het ministerie van Financiën kijken we hoe we met een beperkte publieke bijdrage het startrisico deels kunnen afdekken. Dat kan bijvoorbeeld via een revolverend fonds bij onze Nationale Investeringsinstelling: een fonds waarbij het geïnvesteerde geld – via leningen of aandelenbelangen – na verloop van tijd weer terugvloeit, zodat het opnieuw ingezet kan worden voor nieuwe bedrijven. Door dat startrisico deels weg te nemen, kunnen we een veelvoud aan privaat geld aantrekken. Zo willen we ook pensioenfondsen interesseren. Institutioneel geld vindt nu nog moeilijk zijn weg naar de scale-ups.
Waar het om draait, is dat we iets toevoegen wat de markt nu nog niet biedt. Ik kijk daarbij ook naar het buitenland. Heel interessant is het Tibi-initiatief, vernoemd naar hoogleraar economie Philippe Tibi. Sinds 2019 beweegt dit programma verzekeraars en pensioenfondsen om te investeren in fondsen die Franse tech-scale-ups financieren, zonder dat de staat daar zelf nieuw geld voor op tafel legt. En dat werkt: het programma heeft de investeringen in Franse tech bijna verdrievoudigd, met relatief weinig kosten voor de schatkist. Zo is de overheid niet alleen financier, maar vooral makelaar die vraag en aanbod verbindt.’
Er is zorg dat de overheid bezuinigt op vroege-faseregelingen zoals seed capital, terwijl publiek geld in die fase juist doorslaggevend is. Is er ruimte om die te behouden?
‘Ik zoom graag uit naar de hele investeringsketen. Het helpt niet als we er aan het begin van die keten meer geld instoppen, terwijl bedrijven halverwege stranden of naar het buitenland vertrekken omdat opschaling hier niet lukt. Dan doen we het ergens anders in de keten niet goed. Mijn uitnodiging aan de sector is: laat zien wat een investering aan het begin oplevert voor de Nederlandse economie als geheel.’
Investeerders vinden voorspelbaarheid van beleid ontzettend belangrijk. Hoe voorkom je dat inconsistent beleid investeerders huiverig maakt om in een sector te investeren?
‘Dat is een terecht punt. Elke keer dat ik met de Tweede Kamer in gesprek ben over de versterking van het investeringsklimaat, benadruk ik het belang van consistent beleid. Als je grote maatschappelijke transities wilt laten slagen, heb je investeerders hard nodig. Zij hebben baat bij duidelijke kaders die niet steeds veranderen. Anders gaat het mis. Zo zijn er in de energiesector verschillende bedrijven door veranderende regelgeving over de kop gegaan. Daarnaast is uniforme regelgeving belangrijk. Om een voorbeeld uit mijn oude wereld te geven: zolang gemeenten verschillende eisen aan de bouwkwaliteit van huizen stellen, zullen bouwers niet industrialiseren. Daarom moeten we echt toe naar consistente en meer uniforme regelgeving: het is nodig om de arbeidsproductiviteit omhoog te krijgen.’
Ondernemers en investeerders vragen daarnaast om minder regels, net zoals Wennink in zijn rapport constateert. Wat kunnen zij verwachten?
‘De tijd en moeite die ondernemers kwijt zijn aan het nakomen van soms onnodige administratieve verplichtingen, gaat ten koste van innovatie en investeringen, en is daarmee nadelig voor de economische groei. Daarom werken we als kabinet hard om de regeldruk te verminderen. We zijn de uitdaging aangegaan om voor de zomer 500 regels voor ondernemers te schrappen, te vereenvoudigen of beter te laten aansluiten bij de praktijk. Hoewel we die ambitie niet hebben gehaald, het zijn er 403 geworden, ben ik positief. Op ministeries is het bewustzijn over de gevolgen van nieuwe en bestaande wet- en regelgeving vergroot. Het gaat overigens niet alleen om minder regels, we moeten ook streven naar regels die minder belastend zijn – ook bij nieuw beleid. Dat vraagt om een intensievere samenwerking met ondernemers. Zij weten het best waar het in de praktijk knelt.’
Wat hoop je aan het eind van je ministerschap bereikt te hebben?
‘Ik hoop dat we over een paar jaar niet alleen trots zijn op ASML. De semiconductorindustrie is weliswaar van grote waarde, maar het zou geweldig zijn als we in Nederland nog een paar van dat soort ecosystemen kunnen creëren. Dan pas hebben we het bredere industriebeleid waargemaakt en leggen we een fundament voor een sterkere economie.’
Reageren? Mail ons op redactie@scopebusinessmedia.nl
Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 07 2026.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op 25-08-2026