‘Startups en corporates kunnen elkaar enorm versterken’
22-09-2026 | Beeld: Ricky Booms
Waarom lukt het Nederland wél om veelbelovende startups voort te brengen, maar slagen we er niet in deze bedrijven te laten doorgroeien tot kampioenen van morgen? Tussen deze twee uitersten, van pril idee tot groot commercieel succes, zit een lange en breekbare keten. En dat is een hardnekkig probleem, zoals eind 2025 ook werd geconstateerd door oud-ASML-topman Peter Wennink. Dat opschalingsprobleem speelt bijvoorbeeld ook bij bedrijven op het snijvlak van agrifood en biotech.
Om te begrijpen waar het vastloopt, wat er nodig is om de keten te versterken en hoe we in het verlengde van het Wennink-rapport Nederland innovatiever kunnen maken, gaan twee spelers die de sector goed kennen met elkaar in gesprek. Maarten Goossens is founding partner van Anterra Capital, een gespecialiseerde agrifoodtech-investeerder met kantoren in Amsterdam en Boston. Anterra investeert in een vroege fase in technologiebedrijven die met digitale en biotechnologie het mondiale voedselsysteem verduurzamen.
Yves Boland is sinds september 2025 chief technology officer van Corbion, het aan de Amsterdamse beurs genoteerde bedrijf dat op industriële schaal biobased en duurzame oplossingen ontwikkelt en produceert voor uiteenlopende markten, waaronder voeding, gezondheidszorg en industriële toepassingen. In zijn cto-rol is Boland vooral verantwoordelijk voor het behoud van Corbions technologische voorsprong en het versnellen van innovatie. In een interview met Juul Vaandrager, plaatsvervangend directeur van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), leggen ze de vinger op de bottlenecks in het Nederlandse en Europese innovatie-ecosysteem. Ook lichten Goossens en Boland toe hoe investeerders en corporates het beste kunnen samenwerken, om een vruchtbare voedingsbodem voor innovatieve bedrijven te vormen.
Nederland blinkt uit in wetenschappelijk onderzoek en heeft, mede daardoor, een indrukwekkend aantal startups. Waarom lopen veelbelovende innovaties toch vaak vast?
Goossens: ‘Voor ons als durfinvesteerder vormt regelgeving de grootste bottleneck. Het is in Nederland en ook in Europa moeilijker om een bedrijf te laten doorgroeien dan bijvoorbeeld in de VS. Om een voorbeeld te geven: Vestaron, een biotechbedrijf dat natuurlijke peptiden gebruikt om biologische bestrijdingsmiddelen te ontwikkelen, ontwikkelde zijn producten in de VS. Daar duurde het twee jaar om ze geregistreerd te krijgen, terwijl dat in Europa vijf jaar zou hebben geduurd. We zien veel biotechbedrijven om deze reden uitwijken naar de VS. Een tweede probleem is de versnippering van de Europese markt: elk land heeft zijn eigen regelgeving en markt, terwijl Amerika één grote markt biedt. Overigens is de taalbarrière tegenwoordig minder groot, dankzij ai.’
Van startups horen we vaak dat zij in Amerika sneller aan kapitaal komen. Geldt dat ook voor jullie fonds?
Goossens: ‘Zeker. Maar dat hangt samen met regelgeving en marktheterogeniteit. Als die hetzelfde zouden zijn als in de Overigens is de Europese markt op het gebied van talent en R&D minstens zo goed. Op een aantal vlakken is die zelfs beter dan in Amerika.’
Hoe is dat voor Corbion? Wat zijn voor jullie de belangrijkste knelpunten bij de opschalingsfase?
Boland: ‘Regelgeving is inderdaad een factor. Daarnaast wijken bedrijven in de opschalingsfase uit naar de VS om dichter bij de fysieke markt te zitten. Dat is belangrijker geworden nu de wereldwijde afzetmarkt in geopolitieke blokken uiteenvalt. Waar het echt misgaat, is de industrialisatiefase. Zelfs in de VS is dat in food biotech een uitdaging: de kosten om faciliteiten op te schalen lopen snel op. In de pilot plant-fase willen early adopters nog wel meer betalen voor een duurder, duurzamer product. Maar de commerciële opschaling is uitdagender. Je verdient pas geld zodra je de bredere, prijsgevoeligere markt bedient. Dat lukt alleen op schaal en met efficiëntie.
Als corporate kunnen we voortbouwen op bestaande installaties, maar zijn er ook aanzienlijke investeringen nodig om baanbrekende en mogelijk disruptieve technologieën te ontwikkelen en uit te rollen, zodat we ons kunnen blijven onderscheiden en gezonde marges behouden. Een startup betaalt zich vaak blauw om diezelfde stap te zetten en draagt ook nog het commerciële risico. Je kunt uitwijken naar een derde partij voor productie, maar zodra je de high value-markten verlaat, denk aan farma, specialistische toepassingen, kost elke schakel in de keten geld. Dat dubbele risico wordt in de biobased economie snel te groot, zeker omdat je rechtstreeks concurreert met synthetische alternatieven en iedereen in de keten ervan moet kunnen leven.’
Hoe zou je die risico’s beter kunnen beheersen?
Goossens: ‘Kijk naar China. We richten ons enorm op Amerika, maar China is al een grote speler in biotech. China is inmiddels wereldwijd nummer één in de ontwikkeling van nieuwe medicijnen, die koppositie pakt het land naar verwachting in meer sectoren. China laat ook zien hoe belangrijk een lange politieke horizon is voor het opbouwen van infrastructuur. Dat land denkt in termijnen van tien jaar, terwijl in Nederland elke vier jaar of eerder een nieuw kabinet aantreedt, waardoor budgetten en prioriteiten snel verschuiven.’
Boland: ‘De vraag is of het Europa lukt om langetermijnagenda’s te creëren. Dat is ook de kern van het rapport van Mario Draghi over het versterken van het Europese concurrentievermogen: hoe zorgen we voor een ecosysteem en investeringen die niet bij ieder nieuw kabinet weer ter discussie staan? Anders blijft het ecosysteem fragiel.’
Stel dat Corbion morgen 300 miljoen euro zou kunnen vrijmaken voor een nieuwe biobased productiefaciliteit: wat zou Nederland, of Europa, moeten bieden om die hier te bouwen?
Boland: ‘Nederland heeft een streepje voor omdat hier veel gekwalificeerde mensen zijn en er veel kennis is op het gebied van voedselveiligheid. Daarnaast zullen we onderzoeken of de fabriek kostenefficiënt kan draaien. Energie is daarin de grootste kostenpost – zeker omdat die fabriek van de toekomst zal draaien op ai, sensoren en machine learning, om meer waarde uit dezelfde hoeveelheid grondstof te halen. Het zou helpen als we met de overheid langetermijnafspraken kunnen maken over energieprijzen, andere grondstoffen en een gelijk speelveld op het gebied van import van buiten Europa. Om een fabriek in Nederland even kostenefficiënt te maken als op een goedkopere locatie, moeten we al snel 30 tot 40 procent meer investeren in die extra technologie. Dan moet je de garantie hebben dat de randvoorwaarden niet halverwege veranderen, anders nemen we een onverantwoord risico. Het is aan Nederland en Europa om concurrerende randvoorwaarden te scheppen.’
Hoe is dat voor investeerders? Wanneer is Nederland interessant voor een portfoliobedrijf?
Goossens: ‘Voor ons ligt dat genuanceerder. Een bedrijf dat hier succesvol is doorgegroeid tot en met de series c-ronde – de fase waarin een startup al bewezen heeft levensvatbaar te zijn en kapitaal ophaalt om verder op te schalen – vertrekt niet zomaar. Het kan wel besluiten om een productiefaciliteit in bijvoorbeeld India te bouwen, omdat de kosten daar een derde zijn vergeleken met Nederland of de EU. Zolang arbeids- en energiekosten zo sterk verschillen, zal ik als investeerder niet aanraden om hier te blijven produceren.’
Kunnen die verschillen kleiner worden, en zou dat reden zijn om in Nederland te blijven?
Goossens: ‘Ja, als we goedkopere alternatieve energiebronnen kunnen inzetten. Dankzij ai kunnen de arbeidskosten wellicht omlaag. Dat gebeurt al in R&D. Ai verkort bijvoorbeeld de onderzoekstrajecten voor innovaties in diergezondheid. Dat verlaagt het benodigde kapitaal. Die trend zal doorzetten. Als we dankzij ai efficiënter worden, zou dat ons terug kunnen brengen naar de EU of Nederland.’
Is het belangrijk om fabrieken in Europa te bouwen, of is dat vooral een economische afweging?
Boland: ‘Met mijn corporate-pet op zeg ik volmondig ja. De behoefte groeit om risico’s rond grondstoffen en kritieke materialen te beperken. Grote klanten in Europa en de Staten hechten veel waarde aan veilige en betrouwbare toeleveringsketens en zijn voor kritieke onderdelen selectief bereid daarvoor te betalen. Ook ondersteunen ze soms re-industrialisatie in hun regio. Zonder eigen productiecapaciteit wordt Europa afhankelijk van andere landen en blijft hier vooral dienstverlening over, tegen relatief hoge kosten. De markt lost dat niet vanzelf op: die kiest altijd voor de goedkoopste locatie. Willen we bepaalde productie in Europa behouden, zullen overheden moeten sturen en prikkels moeten creëren.’
Hoe verloopt de samenwerking tussen investeerders, startups en corporates en zijn er verbeterpunten?
Goossens: ‘We staan vaak dicht bij grotere bedrijven om te zien waar ze sterk in zijn en waar kansen liggen. Ook zijn we zelf incubator: ongeveer een derde van onze portfolio hebben we samen met bestaande spelers in de voedingsen diergezondheidsector opgezet, zodat we zeker weten dat er een markt is en vroeg begrijpen wat cruciale eisen zijn. Vaak zien we dat een goed idee op een universiteit ontstaat, twee of drie mensen ermee verdergaan en laat ontdekken dat een corporate beperkingen heeft in het productieproces waardoor hun innovatie nooit in een bestaande fabriek verwerkt kan worden.’
Boland: ‘De startup heeft briljante ideeën, de corporate heeft markttoegang en klantkennis. Beide spelers kunnen elkaar enorm versterken. Maar startups weten vaak niet wat het betekent om op schaal te produceren. Vroeg aanhaken is daarom belangrijk om ze op weg te helpen met marktkennis en inzicht in regelgeving. De kans op succes is het grootst wanneer iedereen dezelfde visie deelt. Je moet vooraf goed verwachtingen managen: hoe verdeel je de toekomstige waarde, wie krijgt wat, wie draagt wat bij? Zonder gedeeld beeld van het potentieel en van hoelang het duurt om daar te komen, loopt het spaak. Denk aan de ambitieuze startup waarvoor de sky the limit is, tegenover een corporate die om allerlei redenen voorzichtiger is. Juist in dat spanningsveld gaat het vaak mis. Maar weet je ze wél met elkaar te verbinden, dan ontstaat er magie.’
Wanneer besluit Corbion in te stappen bij een veelbelovend bedrijf?
Boland: ‘Als we geïnteresseerd zijn in een nieuwe technologie, krijgen we het liefst al vroeg invloed. Vaak doen we een co-investering: met een beperkt bedrag kunnen we samen met de ondernemer verkennen en testen of de technologie werkt. We zijn terughoudend om volledig in te stappen, we willen niet de indruk wekken dat het al een Corbion-bedrijf is, en houden onze opties liever open. Doorgaans zijn we pas geïnteresseerd zodra een technologie bewezen is.’
Zonder vraag uit de markt is opschalen lastig. Hoe belangrijk is een launching customer?
Boland: ‘Het vinden van die eerste afnemer is superbelangrijk. Daar leren we enorm van. Maar het is ook verraderlijk, omdat het aannames kan versterken die niet kloppen. De waardepropositie voor de rest van de markt kan anders kan liggen. Je moet dus scherp zijn over wie die klant wél is wie niet.’
Goossens: ‘Eens. Eén klant is riskant, omdat die niet per se representatief is. Het gaat om validatie: je moet toetsen of er voldoende marktbehoefte is. Je moet eerst goed begrijpen wat er werkelijk nodig is, dán pas op zoek naar die klant.’
Waar komen de toekomstige kampioenen in jullie sector vandaan?
Boland: ‘Je kunt het nooit exact voorspellen, maar innovaties worden soms kansrijk omdat een bestaand product onder druk staat, door regelgeving, stijgende kosten of klimaatverandering. Neem omega-3 voor aquacultuur: dit ingrediënt wordt aan visvoer toegevoegd bij het kweken van bijvoorbeeld zalm. Die wordt van oudsher gewonnen uit visolie van wilde vis. De vraag blijft sterk toenemen terwijl het aanbod wisselvallig, beperkt en onvoldoende voorspelbaar blijft. Klimaatverandering zorgt voor frequentere El Niño-periodes, die de visstand voor de kust van Zuid-Amerika, een belangrijke bron van visolie, verstoren. Omdat vraag en aanbod uit elkaar lopen, kan een alternatieve technologie, zoals omega-3 uit algenfermentatie, de markt overnemen.’
Goossens: ‘Ik geloof sterk in het potentieel van onze kennisinstellingen. Wageningen is toonaangevend op het gebied van landbouw en voedingswetenschap. Delft is sterk in industriële biotechnologie, in fermentatie en enzymen, en Leiden in brede life sciences. Vanuit die drie kennisclusters verwacht ik veel doorbraken, specifiek rond precisiefermentatie, methaanreductie in de veehouderij en oplossingen voor de stikstofcrisis.’
Als jullie één ding zouden mogen veranderen om fooden biotechbedrijven in Nederland te laten opschalen, wat zou dat zijn?
Boland: ‘De meeste industriële subsidies richten zich op CO2- of uitstootreductie. De overheid zou ook kunnen ondersteunen bij alles wat een fabriek klaarstoomt voor de 21e eeuw, zoals digitalisering en machine learning voor maximale efficiëntie. Juist bij een complex proces als fermentatie levert een beter lopend proces een hogere output op, wat zowel de economische efficiëntie als de voetafdruk verbetert. Er zijn andere manieren om duurzamer en efficiënter te worden dan elektrificatie alleen, denk ook aan warmteterugwinning. Financiering voor een bredere waaier aan mogelijkheden zou de hele sector helpen.’
Goossens: ‘Voeding en biotech staan momenteel niet in de belangstelling. In 2021 werd wereldwijd nog zo’n 50 miljard dollar geïnvesteerd in het agrifood-ecosysteem; de laatste jaren is dat rond de 16 miljard dollar. En dat terwijl methaanreductie en stikstoffixatie belangrijke oplossingen zijn voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het is daarom van groot belang om onze sector hoger op de investeringsagenda te krijgen.’
Reageren? Mail ons op redactie@scopebusinessmedia.nl
Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 08 2026.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op 22-09-2026