Drie experts over ai in de zorgsector
25-08-2026 | Beeld: Gregor Servais
Artificiële intelligentie is in de Nederlandse zorgsector definitief de fase van de hype ontgroeid en ontwikkelt zich tot een cruciaal strategisch organisatievraagstuk. Terwijl de context waarin zorginstellingen opereren snel verandert door personeelstekorten en financiële druk, dwingt de opkomst van technologieën zoals generatieve ai bestuurders en toezichthouders om verder te kijken dan enkel technologische innovatie. Behoorlijk bestuur in dit nieuwe tijdperk vraagt om digitale soevereiniteit, het maken van bewuste keuzes over afhankelijkheden van grote techbedrijven en het investeren in ai-geletterdheid op alle niveaus van de organisatie. Uit de meest recente cijfers blijkt dat inmiddels bijna de helft van de ziekenhuizen over een uitgewerkte ai-visie beschikt, een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar, wat aangeeft dat het onderwerp eindelijk de weg naar de boardroom heeft gevonden.
De uitdaging voor de moderne commissaris of bestuurder ligt echter niet alleen in het vaststellen van beleid, maar in het doorgronden van de impact van ai op de menselijke maat en de maatschappelijke solidariteit. Waar algoritmes steeds vaker beslissingen van artsen en patiënten sturen, verschuift de rol van toezicht naar het borgen van transparantie, veiligheid en ethische kaders. Het is niet langer voldoende om ai te delegeren aan de IT-afdeling; effectieve sturing vereist dat de top van de organisatie zelf begrijpt hoe deze black box functioneert, kansen signaleert en weet welke risico’s er kleven aan het blind varen op geautomatiseerde uitkomsten. In de onderstaande dialoog verkennen kopstukken uit de zorg, de verzekeringswereld en de overheid hoe zij ai in de praktijk inzetten en waar de grenzen van de technologische vooruitgang liggen. Onder leiding van Yoen van der Linden, managing consultant van SeederDeBoer, gaan Stephanie Klein Nagelvoort-Schuit (vicevoorzitter van de raad van bestuur van het UMCG), Annemarel de Vos (directeur zorg van a.s.r.) en Mark Janssen (bestuursvoorzitter van Zorginstituut Nederland) met elkaar in gesprek.
Laten we direct met de deur in huis vallen. Ai is overal, maar wat betekent het concreet voor jullie eigen dagelijkse, professionele praktijk? Stephanie, jij bent binnen het UMCG verantwoordelijk voor een enorme organisatie. Hoe ai-ready ben jij zelf?
Klein Nagelvoort-Schuit: ‘Ik geloof er heilig in dat je als bestuurder geen richting kunt geven als je de technologie niet zelf begrijpt. In het UMCG pilotten we daarom als raad van bestuur zelf met virtuele assistenten voor besluitvoorbereiding en scenario-analyses. Privé heb ik zelfs mijn eigen Karpathy Second Brain gebouwd. Actief bezig zijn met ai helpt me om te zien welke kansen en risico’s er op ons afkomen in de zorg, daar moeten we ons vandaag al op voorbereiden. We zien ook dat er een gap ontstaat tussen de frontrunners en de rest van de organisatie; we moeten voorkomen dat mensen ai als een orakel gaan zien in plaats van als een tweede brein waarmee je in gesprek gaat.’
De Vos: ‘Bij a.s.r. zien we een vergelijkbare beweging. Onze nieuwe ceo, Ingrid de Swart, (zie: ‘Deze baan is nog intenser dan ik dacht’ op pagina 8 van dit magazine) ziet ai als een belangrijk strategisch middel en dat vertaalt zich naar een duidelijke tone at the top. Wij hebben een “kraamkamer” opgezet binnen het zorgbedrijf waar we experimenteren met ai-concepten die we daarna breder binnen a.s.r. kunnen opschalen. Zo hebben we binnen de zorg ai ingezet voor de verwerking van buitenlanddeclaraties om medewerkers een groot deel van het uitzoekwerk uit handen te nemen en te ondersteunen bij de analyse. Maar cruciaal hierbij is dat we een Ai Quality Board hebben ingericht waar juristen, ethici, risk-, compliance- en cybersecuritydeskundigen toepassingen toetsen aan wet- en regelgeving en risico’s die kunnen optreden. Zo leren we als organisatie versneld en kunnen we zaken ook sneller implementeren, maar wel op een beheerste manier.’
Janssen: ‘Vanuit het Zorginstituut kijken we natuurlijk ook naar onze eigen processen. Wij moeten enorme dossiers beoordelen over nieuwe geneesmiddelen en we onderzoeken of ai ons kan helpen die beoordelingen te versnellen door onderzoeksresultaten slim samen te vatten. Maar mijn zorg zit ook op een hoger niveau: hoe gebruiken we ai om niet-passende zorg op te sporen? We hebben in pilots gezien dat we via algoritmes patronen kunnen ontdekken waarin medicatie wordt voorgeschreven die allang niet meer in de richtlijnen staat. Dat is waar ai echt maatschappelijke waarde toevoegt aan de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg. Maar ai stelt ons ook voor fundamentele vragen: kunnen patiënten erop vertrouwen dat hun gegevens zorgvuldig worden gebruikt? Hoe voorkomen we dat algoritmen bestaande gezondheidsverschillen versterken? En hoe zorgen we ervoor dat zorgprofessionals ondersteund worden door ai, zonder dat zij hun eigen professionele oordeel uit handen geven?’
Dat klinkt als een enorme efficiëntieslag. Het kabinet mikt zelfs op een halvering van de administratielast door ai. Maar Stephanie, jij noemde net het risico van het 'orakel'. Hoe voorkomen we dat zorgprofessionals blind varen op een algoritme?
Klein Nagelvoort-Schuit: ‘Dat is de kern van behoorlijk bestuur in deze transitie. Je moet basisvaardigheden behouden. Net zoals kinderen op school nog steeds tafels moeten leren ondanks de rekenmachine, moeten onze artsen en verpleegkundigen de klinische blik behouden om te kunnen herkennen wanneer ai een onwaarschijnlijke conclusie trekt. In het UMCG leren we dat succesvolle teams investeren in verschillende soorten medewerkers: de innovators die zelf kunnen bouwen, de gamechangers die processen kunnen veranderen, de grote massa gebruikers en de groep die meer tijd nodig heeft. Alleen door die verschillende rollen te erkennen, kun je ai verantwoord integreren in de lijnorganisatie.’
De Vos: ‘Vertrouwen is hierbij het sleutelwoord. Als medewerkers of klanten de uitkomst van een algoritme zien als een black box, ontstaat er weerstand of juist gevaarlijke gelatenheid. Wij vinden menselijke tussenkomst essentieel; ai kan medewerkers ondersteunen bij het voorbereiden, ordenen of signaleren van dossiers. Waar beoordeling nodig is, blijft menselijke controle en verantwoordelijkheid geborgd, zeker wanneer een uitkomst grote gevolgen heeft voor een verzekerde of zorgaanbieder. Wanneer we het goed doen, is ai voor verzekerden niet zichtbaar als technologie, maar voelt het als minder gedoe en sneller en transparanter geholpen worden.’
Mark, jij hebt een stelselverantwoordelijkheid. Als we kijken naar dat vertrouwen, zie je dan ook een rol voor ai in het verbeteren van de samenwerking tussen ziekenhuizen en verzekeraars? Want daar schuurt het nog wel eens.
Janssen: ‘Het zorgstelsel is nu helaas nog vaak ingericht op wantrouwen en controle. Artsen verifiëren alles zelf en verzekeraars controleren de rechtmatigheid. Ai kan hier een doorbraak forceren, mits we de data-infrastructuur op orde krijgen. Als we werken met dezelfde standaarden en definities, ontstaat er een “enkele waarheid” waarover je niet meer hoeft te discussiëren. Dan kun je het gesprek voeren over waarom er praktijkvariatie is tussen regio's, in plaats van elkaars data in twijfel te trekken. Maar dan moeten we wel stoppen met het bouwen van eigen eilandjes en pilots die nooit de regio uitkomen.’
Klein Nagelvoort-Schuit: ‘Ik herken dat wantrouwen. Wij hebben bijvoorbeeld een programma voor passende zorg bij kankerpatiënten op leeftijd, waarbij een kwart na een goed gesprek kiest voor een ander behandelplan, meestal minder ingrijpend. Dat levert dezelfde levensverwachting op terwijl deze patiënten minder complicaties hebben en korter in het ziekenhuis liggen. Toch kregen we vragen van de verzekeraar: “Gaan die patiënten niet gewoon naar de buren?” Dat voelt voor een dokter als een gebrek aan begrip voor de medische inhoud. Ai en betere gedeelde data kunnen hier objectiveren wat er werkelijk gebeurt, zodat we het proces kunnen verbeteren in plaats van elkaar te controleren.’
De Vos: ‘En daar zit precies de kans voor ons als verzekeraars. Wij hebben veel data vanuit onze wettelijke taak. Wij kunnen ziekenhuizen helpen door aan te tonen dat hun aanpak inderdaad leidt tot betere uitkomsten zonder dat patiënten elders zorg consumeren. Maar dat vraagt wel dat we aan de voorkant afspraken maken over wie investeert en wie de vruchten plukt. Als investeringen in bijvoorbeeld digitale toepassingen aantoonbaar bijdragen aan passende zorg, toegankelijkheid of kwaliteit, moeten we ook kijken hoe de baten en investeringslasten evenwichtig worden verdeeld binnen de keten.’
Een thema dat ik steeds vaker hoor, is de spanning tussen de verregaande personalisering die ai mogelijk maakt en de solidariteit van ons zorgstelsel. Annemarel, hoe kijkt een verzekeraar daarnaar?
De Vos: ‘Dat is een fundamenteel risico. Hoe beter we kunnen voorspellen, hoe bewuster we solidariteit moeten beschermen. Je wilt voorkomen dat ai wordt ingezet op een manier die leidt tot risicoselectie of ongelijke toegang tot zorg en verzekering. Voor a.s.r. is solidariteit het uitgangspunt: technologie mag het fundament van het stelsel niet onder druk zetten. Eerder signaleren, beter verwijzen, minder administratieve frictie, meer zelfservice en meer transparantie. Allemaal zaken waar ai volgens mij fundamenteel aan kan bijdragen zonder solidariteit of publieke waarden te schenden.’
Janssen: ‘Ik zie daar ook een spanning, maar ook een oplossing in de wetgeving rondom passende zorg. Personalisering betekent dat we zorg bieden die bij jóu past; voor de ene patiënt is dat een zwaar traject, voor de ander is dat stoppen na de diagnostiek omdat diegene andere behoeften heeft. Dat is persoonlijk én solidair, omdat we collectief besluiten om te betalen voor wat werkelijk waarde toevoegt voor het individu. De verzekeraar heeft hierin een zorgplicht om dat maatwerk mogelijk te maken.’
Klein Nagelvoort-Schuit: ‘Exact. Ai kan ons helpen die “passendheid” veel sneller te bepalen op basis van enorme hoeveelheden wetenschappelijke literatuur en patiëntdata. Maar de uiteindelijke morele keuze – wat vinden we een extra levensjaar waard en welke bijwerkingen zijn acceptabel – dat blijft een menselijke, maatschappelijke afweging.’
Als we kijken naar de rol van de raad van toezicht en het bestuur, wat is jullie belangrijkste advies voor behoorlijk bestuur op dit dossier voor de komende twee jaar?
Klein Nagelvoort-Schuit: ‘Investeer in leiderschap dat het begrijpt. Je kunt geen toezicht houden op iets dat je als een black box beschouwt. Zorg dat er mensen in de top zitten die weten wat ai doet en waar de data vandaan komt. En durf te convergeren: stop met de versnippering en werk landelijk samen aan standaarden.’
De Vos: ‘Wees niet bang om te experimenteren, maar doe het binnen duidelijke kaders. Maak ai een strategische prioriteit en zorg dat het hele bedrijf meebeweegt. Organisaties die succesvol zijn, onderscheiden zich straks niet door toegang tot technologie, maar door de manier waarop zij die technologie weten te verbinden aan vertrouwen, dienstverlening en maatschappelijke waarde.’
Janssen: ‘Nederland heeft niet zozeer een ai-uitdaging, maar vooral een data-uitdaging. Mijn advies is daarom: focus op de data. Zonder betrouwbare gegevens, goede informatiestandaarden en veilige gegevensuitwisseling blijft de impact van ai beperkt. We moeten als stelselpartijen de regie pakken op databeschikbaarheid. Alleen dan kunnen we ai gebruiken voor wat het werkelijk moet doen: de zorg toegankelijk, betaalbaar en kwalitatief hoogwaardig houden voor iedereen.’
Wat zijn jullie verwachtingen over de toekomst van ai in de zorg over vijf tot tien jaar?
De Vos: ‘Ik verwacht dat ai over tien jaar de onzichtbare motor achter veel zorgprocessen is. Niet als vervanging van professionals, maar als ondersteuning bij administratie, besluitvorming en het organiseren van passende zorg. Daardoor kunnen schaarse capaciteit en middelen effectiever worden ingezet. Voor een zorgverzekeraar zit de grootste waarde niet in de technologie zelf, maar in het vermogen om zorg toegankelijk, betaalbaar en persoonlijk te houden in een tijd van toenemende vraag en personeelstekorten. Tegelijkertijd zullen publieke waarden zoals solidariteit, privacy en transparantie nog belangrijker worden. Juist omdat ai steeds krachtiger wordt, moeten we bewuster sturen op vertrouwen. Uiteindelijk wordt succes niet bepaald door hoeveel ai we gebruiken, maar door de maatschappelijke waarde die we ermee creëren.’
Janssen: 'Ik denk ook dat ai deze kant op zal gaan en dat niet de technologie, maar de waarde centraal moet staan. Voor mij draait de discussie over ai uiteindelijk om vertrouwen. Vertrouwen van patiënten dat hun belangen vooropstaan. Vertrouwen van zorgprofessionals dat technologie hen ondersteunt. En vertrouwen van de samenleving dat innovatie bijdraagt aan publieke waarden.’
Reageren? Mail ons op redactie@scopebusinessmedia.nl
Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 07 2026.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op 25-08-2026