‘We moeten samenwerken om startups te laten doorgroeien’
25-08-2026 | Interviewer: Tjarda Molenaar | Auteur: Ellis Bloembergen | Beeld: Joke Schut
Aan innovatie geen gebrek in Europa. Startende ondernemers met een veelbelovende technologie vinden in de vroege fase relatief makkelijk kapitaal. Ze kunnen daarbij rekenen op een volwassen startup-ecosysteem, met hoogopgeleid talent, toonaangevende kennisinstellingen en betrokken investeerders. Maar daarna hapert het vaak. Te weinig techbedrijven groeien door tot succesverhalen. Veel kansrijke startups stoppen bij gebrek aan financiering of verplaatsen hun activiteiten naar Amerika, waar meer groeikapitaal beschikbaar is. Hoe zorgen we dat Europa niet alleen innovatieve startups voortbrengt, maar ze ook laat uitgroeien tot de kampioenen van de toekomst? Die vraag staat centraal in het rapport van oud ECB-president Mario Draghi over de concurrentiekracht van Europa, en in de Nederlandse vertaling daarvan door voormalig ASML-topman Peter Wennink. Beide rapporten benadrukken dat Europa bedrijven in enkele strategische sectoren – van digitalisering en life sciences tot energie – beter moet laten doorgroeien. Daarvoor is meer nodig dan groeikapitaal voor de kampioenen zelf. Minstens zo belangrijk is het ecosysteem daaromheen: de infrastructuur, technologie en bedrijven die hun groei mogelijk maken.
In het verlengde van de aanbevelingen van Draghi en Wennink delen twee investeerders hun visie op wat nodig is om dat ecosysteem te bouwen. Julia Padberg is partner bij SET Ventures, een venture capital-fonds dat investeert in jonge technologiebedrijven die de energietransitie mogelijk maken. De investeerder richt zich op de opkomende digitale energie-economie, gedreven door drie pijlers: hyperlokale systemen, automatisering, en robuustheid. Alex Bakker is managing partner bij Photon Capital, dat met groeikapitaal investeert in de fysieke en digitale infrastructuur waarop die nieuwe economie draait. Het fonds richt zich op bedrijven en projecten die al verder zijn ontwikkeld en klaar zijn voor opschaling. Zo investeert Photon Capital in datacenters, network service providers en andere toeleveranciers en dienstverleners in de digitale economie.
Padberg en Bakker vertegenwoordigen verschillende schakels van de investeringsketen en kijken vanuit hun eigen perspectief naar wat er nodig is om Europese technologiebedrijven op te schalen. Welke rol spelen investeerders daarbij, waar lopen bedrijven in de praktijk tegenaan en wat kan Europa doen om te voorkomen dat kansrijke bedrijven elders doorgroeien? Daarover spreken zij met Tjarda Molenaar, directeur van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP).
Wat vind je van het Rapport Wennink?
Padberg: ‘Ik kan me er grotendeels in vinden. Europa is ontzettend sterk in technische innovatie en brengt veel kansrijke startups voort. Maar het opschalen van deze jonge bedrijven gaat minder goed. Wennink beschrijft scherp hoe we dit kunnen verbeteren. We moeten in Europa en in Nederland beter samenwerken, barrières verminderen en gezamenlijk meer kapitaal beschikbaar maken om bedrijven te laten doorgroeien.’
Bakker: ‘Ik vind het jammer dat Wennink zich vooral richt op grote kernbedrijven en technologieën. Natuurlijk zijn die belangrijk, maar er is te weinig aandacht voor het ecosysteem daaromheen: de enabling layer. Ofwel, alles wat nodig is om innovatie en groei mogelijk te maken. In het verleden deden we hetzelfde met het topsectorenbeleid: we wezen bepaalde sectoren aan als motor van de economie. Maar een economie is een hele waardeketen: als één schakel ontbreekt, werkt het niet. Wij zoeken als investeerder niet per se naar de volgende unicorn – we zitten juist graag aan de kant van de economie die minder zichtbaar is, maar wel essentieel: de infrastructuur, technologie en bedrijven die ervoor zorgen dat de rest kan groeien.’
Padberg: ‘Dat herken ik wel. Ook wij investeren niet direct in windmolenparken of zonnepanelen, maar in die enabling layer, de digitale laag daaromheen. Je kunt veel geld steken in de fysieke infrastructuur, maar zonder de digitale laag krijg je het systeem niet efficiënt, veilig en schaalbaar. Je hebt beide nodig.’
In welke sectoren kunnen we Europese kampioenen bouwen?
Padberg: ‘Er liggen grote kansen in de digitale laag die het toekomstige energiesysteem moet gaan coördineren. Denk aan slimme aansturing van batterijen, decentrale energienetwerken en ai-gedreven optimalisatie in de industrie. Daar zijn we in Europa al extreem goed in – dit is bij uitstek een sector waar we wereldmarktleiders kunnen bouwen. Het is ook urgent. Ons energiesysteem ondergaat de grootste industriële transformatie die we in ons leven meemaken: we stappen over van een centraal gestuurd systeem naar miljoenen decentrale bronnen die dynamisch op elkaar afgestemd moeten worden. Geen netbeheerder kan dat nog alleen aansturen. Daarvoor zijn nieuwe technologieën en businessmodellen nodig. Die zijn nu vooral in ontwikkeling bij startups die opereren in die digitale laag. We dreigen die innovatie mis te lopen omdat de bedrijven nu vaak vertrekken naar Amerika en andere landen buiten Europa. Dat kunnen we ons niet veroorloven. We moeten ervoor zorgen dat deze bedrijven in Nederland doorgroeien tot scale-ups.’
Is het ook vanuit geopolitiek oogpunt relevant dat die scaleups in Nederland en Europa blijven?
Padberg: ‘Zeker. De overstap naar een decentraal, digitaal aangestuurd energiesysteem dat draait op energie afkomstig van zonnepanelen, windmolens en batterijen, vermindert onze fossiele afhankelijkheid van olie- en gasproducerende landen als Rusland en het Midden-Oosten. Maar als de hardware daarvoor straks vooral uit China komt en de software uit Amerika, ruilen we de ene afhankelijkheid in voor een andere. Dat is een risico, want wie de digitale laag beheert, kan die in theorie ook verstoren. Juist die strategisch kritieke laag wil je daarom in Europese handen houden. De technologie om dit zelf te bouwen is er al. Wat nog ontbreekt, zijn de grote bedrijven die dit op schaal kunnen doen.’
Zijn datacentra puur afnemers van energie, of spelen ze ook een rol in het energiesysteem?
Bakker: ‘Allebei. Op het eerste gezicht zijn het energievreters, maar ze kunnen ook een belangrijk onderdeel zijn van het energiesysteem. Bijvoorbeeld door restwarmte beschikbaar te maken voor warmtenetten. Daarnaast kunnen ze helpen het elektriciteitsnet in balans te houden: met eigen batterijen en generatoren kunnen we het stroomverbruik deels afstemmen op wat het net op dat moment nodig heeft. Juist omdat we als samenleving steeds meer elektrificeren – denk aan warmtepompen en elektrische auto’s – is de druk op het energienet gigantisch. We hadden daar eerder op kunnen anticiperen. De signalen waren er, maar de politieke wil ontbrak om te doen wat nodig is: het is een klimatologisch strategisch, economisch, industrieel en geopolitiek vraagstuk waar tijdige investeringen voor nodig zijn.’
Wat zou jullie advies zijn aan beleidsmakers én andere partijen in de energietransitie?
Bakker: ‘Laten we opener met elkaar samenwerken. Er zijn veel dingen die we zelf kunnen oplossen – de markt kan bijvoorbeeld ook een energienet aanleggen. Nu doet de overheid dat alleen, en gaat er veel mis. Die samenwerking begint met elkaar serieus nemen. Netbeheerders zijn nu ontzettend gesloten: het is nauwelijks mogelijk iemand te spreken, laat staan om samen plannen te maken. Aan budget ontbreekt het niet. Maar in de praktijk gaat het mis. Neem een geplande woonwijk: een netbeheerder ziet ver van tevoren aankomen dat er kabels de grond in moeten, maar kan daar volgens haar interpretatie van de rekenregels van de toezichthouder niet op vooruitlopen. Er mag pas geïnvesteerd worden als de vraag er daadwerkelijk is in juridische zin.’
Padberg: ‘Ik denk dat er ook meer kortetermijnoplossingen mogelijk zijn. Door het net slimmer aan te sturen, haal je tientallen procenten extra capaciteit uit het bestaande net, zonder zware investeringen. Omdat die oplossingen uit de markt komen, betalen marktpartijen daar onderling voor.’
Bakker: ‘Er zijn genoeg mogelijkheden, maar Nederland ziet het elektriciteitsnet als één star afgebakend geheel, terwijl het onderdeel is van een breder energetisch systeem. Neem het warmtenet: dat is deels om zeep geholpen door de regel dat het per se in meerderheid eigendom moet zijn van de overheid – leg ik een energienet aan, dan vervalt het de facto aan de overheid.’
Hoe gaan jullie als investeerder om met deze complexe omstandigheden?
Bakker: ‘We zien de complexiteit niet alleen als nadeel. Bedrijven die weten waar ze het makkelijkst kunnen ondernemen, hebben een gigantisch concurrentievoordeel. Als investeerder hebben we ook een keuze. Zo investeren we nauwelijks in nieuwe datacenters in Nederland, we gaan liever naar een land waar je wél gewoon de telefoon kunt pakken en een netbeheerder aan de lijn krijgt.’
Padberg: ‘De regelgeving in Europa is enorm gefragmenteerd: in het ene land krijg je makkelijker een vergunning dan in het andere. Wij helpen ondernemers – altijd bedrijven met internationale ambities – daarin te navigeren. We weten in welke landen ze het snelst naar de markt kunnen. Daarnaast leggen we de juiste connecties, met netbeheerders, partners, overheden of financiers, zodat ze stap voor stap internationaal kunnen uitrollen.’
Welke regels zorgen ervoor dat bedrijven naar Amerika vertrekken?
Bakker: ‘Veel bedrijven verhuizen naar Amerika of andere landen vanwege ons ontslagrecht. Als je de beste ai-ingenieurs wil aannemen, en die zijn ontzettend duur, loop je in Amerika minder risico. Als je bedrijf minder goed bij kas zit of een werknemer simpelweg niet functioneert, kun je ze makkelijker afstoten. Deze professionals zijn bovendien zo weer elders aan het werk. In Europa is het ontslagrecht strenger, en in Nederland al helemaal. Duitsland biedt bijvoorbeeld meer speelruimte dan ons land.’ Padberg: ‘Een ander punt is de belasting op werknemersparticipatie. In Europa, en zeker in Nederland, is het fiscaal niet heel aantrekkelijk om opties of aandelen in je startup te hebben, omdat je er zoveel belasting over moet betalen. Dat is in andere landen beter geregeld, dat is soms een reden voor bedrijven om te verhuizen.’
In welke Europese landen investeren jullie graag?
Bakker: ‘Bijvoorbeeld in Denemarken. Voor een investering in een Deens datacentrum wilden we een aansluiting op het warmtenet. Ik ging er in aanloop naar deze deal regelmatig heen. Bij een van die trips lukte het een afspraak te maken met de netbeheerder. Twee dingen verrasten me. Dat de netbeheerder überhaupt bereid was op korte termijn te praten. En dat er tijdens dat gesprek al veel geregeld kon worden. Enkele weken later stonden de afspraken op papier. We leveren inmiddels veel warmte terug via het net. Van de goede samenwerking tussen overheid en markt kunnen wij in Nederland veel leren. Wij zijn de oplossing voor hún probleem, zij voor ons probleem. Zo helpen we elkaar. In Nederland zijn we daar heel angstig voor.’
Padberg: ‘Wij hebben recent goede ervaringen met Frankrijk. Zo investeerden we in Decade Energy, dit bedrijf plaatst en optimaliseert grote batterijen voor logistieke depots die hun vrachtwagens willen elektrificeren. Net als in Nederland is toegang tot het energienet een bottleneck, maar door een batterij te plaatsen krijg je die aansluiting makkelijker – de markt lost zo een probleem van de netbeheerder op, en andersom. Frankrijk is relatief transparant: er is maar één transmissienetbeheerder en één lokale netbeheerder. Binnen enkele maanden heb je een aansluiting. Daardoor kan Decade Energy hard groeien, kennis en schaalvoordelen opbouwen. In Nederland duurt datzelfde traject gemiddeld tien jaar. Ook in Duitsland, met honderden netbeheerders, is het een langdurig en complex proces.’
Hoe zou de overheid als co-investeerder kunnen optreden bij de opschalingsfase?
Padberg: ‘De overheid kan bijvoorbeeld investeren in fondsen met een goed trackrecord, in plaats van voornamelijk zelf te investeren. Met dat laatste concurreren ze namelijk met de markt en houden we wellicht ook de verkeerde bedrijven overeind. Daarnaast steken private investeerders weliswaar steeds meer geld in infrastructuur, maar als de risico’s te groot zijn, is het goed als de overheid deze belangrijke investeringen doet.’
Bakker: ‘Niet zozeer de overheid – schoenmaker blijf bij je leest – maar er moet veel meer (pensioen)kapitaal gemobiliseerd worden voor Europese innovatie. Techbedrijven die willen doorgroeien vertrekken nu vaak naar Amerika omdat ze hier toegang hebben tot gigantische fondsen, die voor 90 procent uit pensioengeld bestaan. Ook Nederlandse pensioenfondsen beleggen hun geld liever in Amerika dan in Nederland. Daar is nog een grote slag te maken.’
Als we tien jaar vooruitkijken, welke onderneming in jullie portefeuille is dan uitgegroeid tot Europees kampioen?
Padberg: ‘Over tien jaar kent iedereen Instagrid. Dit Duitse bedrijf ontwikkelt draagbare accu’s die buiten het elektriciteitsnet om schone energie leveren. Veel sectoren – denk aan evenementen, defensie en de bouw – maken nu gebruik van dieselaggregaten. Ik verwacht dat er op korte termijn regelgeving komt die bepaalt dat energieverbruik buiten het net om duurzaam moet zijn. Instagrid zal dan een leidende positie innemen.’
Bakker: ‘Ik verwacht veel van Penta Infra. Dit bedrijf bezit en exploiteert datacenters in Nederland, Duitsland, Frankrijk, België en Denemarken. De focus ligt vooral op edge-datacenters: locaties buiten de grote internetknooppunten. Daarmee bieden deze datacenters rekenkracht dicht bij de eindgebruiker. Dat is een snelgroeiende markt. Recent heeft het bedrijf ook locaties in Amsterdam en Parijs aan de portefeuille toegevoegd. Zo combineert Penta Infra de voordelen van regionale nabijheid met locaties in de grote Europese hubs. De korte afstand tot de eindgebruiker is interessant voor het energiesysteem: datacenters kunnen restwarmte teruggeven aan woonwijken en kunnen ook bijdragen aan balancering van het net. Zo kunnen datacenters uitgroeien van grote energieverbruikers tot een actieve schakel in een flexibeler energiesysteem.’
Reageren? Mail ons op redactie@scopebusinessmedia.nl
Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 07 2026.
Dit artikel is voor het laatst aangepast op 25-08-2026