Dena Bouâli (Air Liquide): 'Partnerships als de toekomst'

Dena Bouâli (Air Liquide): 'Partnerships als de toekomst'
Het Franse chemie- en gasbedrijf Air Liquide wil duurzame ambities waarmaken en sloot onlangs een corporate power purchase agreement met energiebedrijf Vattenfall. Dena Bouâli, directeur technologies & energy transformation van het concern, ziet partnerships als de toekomst. ‘Zo delen concerns de kosten, de risico’s en de opbrengsten.’

Wind. Dat is de overeenkomst tussen de Nederlander Martijn Hagens, ceo van het Nederlandse deel van het Zweedse energiebedrijf Vattenfall, en de Vlaamse Dena Bouâli, directeur technologies & energy transformation van het Franse chemie- en gasbedrijf Air Liquide. Beide concerns sloten dit voorjaar een voor beide partijen cruciale langetermijnovereenkomst: een corporate power purchase agreement (CPPA). Air Liquide wordt daarmee de eerste grote afnemer van duurzame stroom van Vattenfalls nieuwe ‘megawindpark’ Hollandse Kust Zuid. Beide partijen blij: Air Liquide kan met de windenergie werk maken van zijn duurzame ambities en voor Vattenfall is de CPPA een belangrijke financiële basis onder de windplannen in Nederland. Martijn Hagens gaat in gesprek met Bouâli. Over hun samenwerkingsovereenkomst, maar vooral ook over duurzaam ondernemen, klimaatdoelen, risico’s, kansen en actuele maatschappelijke ontwikkelingen. 

Laten we beginnen met twee recente maatschappelijke ontwikkelingen. Eén ontwikkeling is al wat langer gaande, namelijk de pandemie. Air Liquide produceert onder andere medische zuurstof, een product waar het afgelopen jaar veel vraag naar is geweest. Heeft u makkelijk aan die vraag kunnen voldoen?
‘Wij hebben alle zeilen bij moeten zetten. In eerste instantie hebben we de prioriteiten bijgesteld om ziekenhuizen en verzorgingshuizen als eerste te voorzien. In de piekperiode betekende dat dat we korte tijd niet helemaal konden voldoen aan de vraag vanuit bijvoorbeeld de industrie. Maar we hebben steeds goed kunnen opschalen, ook recent nog toen er ineens een grote vraag kwam vanuit India, dat zwaar werd getroffen door COVID en waar plots een groot tekort ontstond aan medische zuurstof. We zijn toen in staat geweest om binnen een paar dagen een grote hoeveelheid zuurstof naar India te verschepen. Het was mooi om te zien dat we als grote organisatie toch zo flexibel kunnen zijn.’

Een andere recente ontwikkeling is het vonnis van de rechter in de zaak tegen Shell. In een zaak die was aangespannen door Milieudefensie heeft de Nederlandse rechter bepaald dat Shell veel meer verantwoordelijkheid moet nemen om de klimaatdoelen te halen. Hoe is die uitspraak bij Air Liquide ontvangen?
‘Ik zie de uitspraak vooral als een krachtig statement en ook als een duidelijk signaal naar de industrie toe. Ook Air Liquide heeft een stevige klimaatambitie uitgesproken en we zijn vastbesloten om de doelstellingen te halen. Onze hele strategie is daarop gebaseerd.’

In maart heeft uw concern klimaatambities gepresenteerd. Neem me eens mee…
‘We hebben ons duurzaamheidsprogramma ACT for a sustainable future genoemd, waar ACT een afkorting is voor abatement, care and trust. Care ofwel zorg is wat wij net besproken hebben: ervoor zorgen dat iedereen toegang heeft tot producten als bijvoorbeeld zuurstof. Trust – vertrouwen – gaat over onze inspanningen naar onze medewerkers en bevat doelen op het terrein van bijvoorbeeld diversiteit en inclusie. En onder abatement ofwel vermindering hebben we een aantal klimaatdoelen geformuleerd, zoals een CO2-reductie van 33 procent in 2035 ten opzichte van 2020. Een belangrijke ambitie, vooral omdat we in die tijd bijvoorbeeld onze waterstofproductie in volume willen verdrievoudigen. Wereldwijd hebben we de ambitie om 8 miljard te investeren in onder meer nieuwe electrolysers voor de productie van waterstof en in de nieuwe cryocap-technologie voor CO2-verwerking.
Verder gaan we ons richten op verduurzaming van de transportsector en dan met name de scheepvaart, trucks, bussen en treinen. Het zijn serieuze ambities, ook al omdat we spreken over vele terawatturen aan energie, en we moeten dan ook flink aan de slag.’

Hoe maakt u de rekensom bij het bewerkstelligen van de CO2-reductie? Wordt er dan bijvoorbeeld gekeken naar de CO2-uitstoot per geïnvesteerde euro?
‘Natuurlijk zijn er altijd financiële afwegingen, maar voor ons is CO2-reductie voortaan een van de sleutelparameters bij het nemen van besluiten. Het is een van de criteria om te besluiten of we een investering gaan doen of niet. We gaan in onze klimaatdoelen niet voor niets uit van absolute waarden. Het is ons menens om de getallen omlaag te krijgen.’

U noemt de opslag en verwerking van CO2 als een van de zaken waar Air Liquide zich verder in wil gaan specialiseren. De opvang van CO2 is omstreden, omdat het volgens de critici de vervuiling niet bij de kern aanpakt en zelfs een rem zou zijn op het weghalen van de bronvervuiling. Hoe kijkt u naar carbon capture and storage (CCS)? Is het een overgangstechnologie of is het een blijvende technologie?
‘Het is nu vooral een noodzakelijke technologie voor de Benelux. Ons doel is om zo snel mogelijk volledig duurzaam te worden. Maar de enige of meest haalbare manier om dat doel te bereiken is via low carbon en dus ook via het opvangen van CO2. Ik zie CCS als een tussenoplossing, maar we zullen opvang de komende jaren echt nodig hebben. En ook over tien jaar zal CCS niet plots verdwenen zijn. Dat gaat heus nog wel even duren. Dus ook die technologie willen we verbeteren. Ik ben er persoonlijk ook zeker niet op tegen: alle CO2 die wordt opgeslagen, gaat niet de atmosfeer in. Dat lijkt mij een heel belangrijke bijdrage.’

Hoe gaat u om met lokale weerstand of met het publieke debat? Mijn eigen ervaring is dat er al snel lokaal protest komt zodra je ergens CO2 wil gaan opslaan.
‘Ik denk dat we hier als maatschappij samen uit moeten zien te komen, ook met de politiek. Wij gaan het debat niet uit de weg. Ik denk dat de ambities van Air Liquide goed zijn doordacht en dat onze duurzaamheidsstrategie, gebaseerd op feiten en data, steekhoudend is en dat het verhaal dat erbij hoort klopt. Natuurlijk kan het altijd beter en sneller en groener, maar goed, je moet ergens beginnen. Wij zijn altijd bereid uit te leggen waar we mee bezig zijn.’

Onlangs heeft Air Liquide in Nederland een eerste corporate power purchase agreement (CPPA) gesloten, een langetermijncontract voor de afname van stroom die afkomstig is van het door Vattenfall te bouwen windpark Hollandse Kust Zuid. Wat was de doorslaggevende reden om dat te doen en wat gaat u met al die stroom doen?
‘We zijn heel blij met die overeenkomst. En pas op, die was voor ons niet nice to have, het was een must have. De CPPA is voor ons noodzakelijk om onze duurzame ambities waar te maken, met name in de Benelux. Met deze duurzame stroom kunnen we bijvoorbeeld onze electrolysers in gebruik nemen voor de productie van waterstof. Zonder hernieuwbare stroom geen koolstofarme waterstof. We zien deze CPPA dan ook als een noodzakelijke basis én als een springplank naar meer. Voor de verduurzaming van Air Liquide hebben we straks nog veel meer groene stroom nodig.’

Denkt u dat er straks vanuit de industrie voldoende vraag is naar duurzame energie?
‘Die vraag is er zeker, daar twijfel ik niet aan. De markt van duurzame energie zal verschuiven van een aanbod- naar een vraagmarkt. Het gaat keren en dat zal ook niet zo lang meer duren.’

Als u kijkt naar de hernieuwbare drive in uw bedrijf... wanneer kwam de omslag in ‘duurzaam denken’? Wat of wie heeft daarvoor gezorgd?
‘We moeten als bedrijf niet alleen bezig zijn om hernieuwbare labels en certificaten binnen te halen, het gaat ook om het handelen binnen het concern. Walk the talk: CO2-efficiëntie en -reductie zijn al jaren een belangrijke pijler binnen Air Liquide. Tegelijkertijd is duurzaamheid bij Air Liquide altijd al een belangrijk thema geweest. We hebben in Europa altijd in werkgroepen gezeten op het terrein van duurzame transformaties. Ook in de top van ons bedrijf is duurzaamheidsdenken al lange tijd aanwezig.
Alleen: we zijn wel een Frans bedrijf, met een Franse cultuur. Dat betekent dat we niet bij het minste of geringste op de trom slaan. Wij treden pas naar buiten als we resultaten kunnen laten zien. Dat is met name in Nederland wel eens anders. Daar werkt het vaak andersom: eerst heel veel communiceren naar de buitenwereld en pas daarna kijken of je het ook waar kunt maken. Wij zijn wat bescheidener.’

Bescheidenheid is een mooie eigenschap, maar kan ook leiden tot onzichtbaarheid.
‘Air Liquide is alles behalve onzichtbaar. We zijn natuurlijk niet actief op de consumentenmarkt, dus veel mensen kennen Air Liquide nog niet. We zijn niet zo bekend bij jonge, talentvolle mensen, hooguit bij studenten die echt in een heel specifieke richting zitten, of mensen die werkzaam zijn in de havens van Rotterdam of Antwerpen. We hebben dus zeker nog wat aan branding te doen. Maar we hopen ook dat we met onze duurzaamheidsdoelen en onze inzet voor het klimaat opvallen bij de doelgroep en daarmee ook employer of choice kunnen worden.’

Denkt u dat uw duurzame koers u uiteindelijk ook een concurrentievoordeel zal opleveren?
‘Natuurlijk. Ik denk dat het concurrentievoordeel vooral zit in het feit dat we op een aantal terreinen de front runner zijn. We durven in een vroegtijdig stadium impactvolle beslissingen te nemen. Ik denk dan bijvoorbeeld op het terrein van de electrolysers en van de cryocap-technologie. Die technologieën willen we nu echt gaan commercialiseren. Als we daar niet in geloofden, waren we er niet aan begonnen. Maar los van concurreren, zullen we in de toekomst ook steeds vaker de samenwerking opzoeken, de value chain zo kort mogelijk maken en de risico’s bijvoorbeeld delen.’

Is samenwerking inderdaad de toekomst?
‘Natuurlijk moet een bedrijf altijd doen waar het sterk in is en moet je concurrentie niet schuwen. Maar zeker grote, complexe projecten kun je beter samen met klanten- en clusterstakeholders doen. Ik denk dat er nog veel mooie partnerships aan gaan komen. Soms ben je de afnemer, soms ben je de toeleverancier – dat is de toekomst. Vaak brengt een partnership meer. Ieder speelt zijn rol en kan iets vanuit zijn eigen specialisatie bijdragen aan het geheel. Zo delen concerns zowel de kosten, de risico’s en de opbrengsten. Op die manier is het makkelijker samen te bespreken wat er nog nodig is om een project succesvol te maken en welke partijen je daarvoor eventueel er nog bij kunt betrekken. Partnerships zijn een noodzaak om de stap voorwaarts te maken.’

En de rol van de overheid? Als u nu een aantal wensen zou mogen neerleggen op de formatietafel in Nederland, wat zouden die wensen dan zijn?
‘Ik denk dat de overheid vooral een ondersteunende en stimulerende rol moet hebben. De industrie wil best springen, maar durft soms niet te springen. De overheid moet ervoor zorgen dat er middelen zijn of incentives om de trein op gang te brengen, dat er een level playing field is, dat de industrie voordeel heeft van het gebruik van hernieuwbare energie. Nu is er veel onduidelijk, bijvoorbeeld over de certificering van duurzame waterstof. Of de ene markt heeft voordelen die de andere markt niet heeft. Waarom gelden voor raffinaderijen bijvoorbeeld andere waterstoftariefregels dan voor de transportsector? Daar zou eens goed naar gekeken moeten worden.
Er mag ook door de overheid best fors financieel bijgedragen worden aan decarbonisatie van de industrie. Nederland en België zijn wat dat betreft te voorzichtig. Frankrijk en Duitsland pompen miljarden in decarbonisatie en dat is nodig om een sneeuwbaleffect te veroorzaken. Die sneeuwbal gaat uiteindelijk best rollen, maar de overheid zou een eerste duwtje kunnen geven. En vergeet niet: het stimuleren van duurzame industrie zorgt ook voor extra werkgelegenheid. Ook dat is een belangrijk argument.’

Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 06 2021.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 30-11--0001

facebook