Aniek Moonen: 'Gebruik generatietoets bij bepalen strategie'

Aniek Moonen: 'Gebruik generatietoets bij bepalen strategie'
Als voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging vertegenwoordigt Aniek Moonen een generatie die de gevolgen van klimaatverandering echt gaat voelen en daarom eist dat politiek en bedrijfsleven nu in actie komen. ‘De lange termijn moet een steeds grotere rol spelen. Minimaliseer de pijn van klimaatverandering voor deze en volgende generaties.’

Een kwartier te laat voor de Teams-afspraak komt Aniek Moonen al wandelend en met koptelefoon op het hoofd in beeld, op zoek naar een rustig plekje. Terwijl ze deinend door de straten loopt, legt ze uit dat ze in de wijk Bospolder-Tussendijken in Rotterdam is, waar ze net een podcast over de gevolgen van klimaatverandering voor de lokale bevolking heeft opgenomen. Dat liep flink uit, verontschuldigt ze zich. Na een paar minuten heeft ze zich (met toestemming van de bewoners) geïnstalleerd op een bankje voor een huis en is de interviewer gewend aan de onalledaagse setting voor dit gesprek – die voor haar generatie waarschijnlijk heel gewoon is.

Als voorzitter van de Jonge Klimaatbeweging (JKB), een samenwerkingsverband van zo’n 60 jongerenorganisaties, vertegenwoordigt Moonen de stem van jongeren in het klimaatdebat. ‘We zijn een lobbyorganisatie die ervoor wil zorgen dat het klimaatbeleid niet alleen zo ambitieus mogelijk is, maar ook zoveel mogelijk met jongeren in het achterhoofd wordt gemaakt. Kort samengevat staan we voor generatiegerechtigheid en klimaatgerechtigheid. We willen dat er snel actie wordt ondernomen om klimaatverandering te minimaliseren en de pijn ervan te verzachten voor deze en volgende generaties. Dat lukt alleen als er bij alle beleidsbeslissingen zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de lange termijn.’ 

Van wie verwacht je die actie?
‘In principe van iedereen, maar op dit moment kijken we vooral waar de meeste impact kan worden gemaakt en op welke plekken er nog onvoldoende gebeurt. Sommige groepen, zoals jongeren, hebben een relatief kleine invloedssfeer en kunnen dus minder voor elkaar krijgen. Anderen, zoals politici en bestuurders van bedrijven, hebben een heel grote invloedssfeer. Daar verwachten we dus ook meer van. Mij valt trouwens op hoe vaak mensen met een baan binnen overheid, politiek of bedrijfsleven geneigd zijn met de vinger te wijzen en te zeggen dat “de politiek” of “het bedrijfsleven” in actie moet komen, terwijl zij uiteindelijk ook zelf kunnen kijken hoe ze hun invloed als werknemer of werkgever het beste kunnen gebruiken.’

De Jonge Klimaatbeweging richt haar lobby vooral op de politiek. Wat verwacht je van de overheid?
‘We hebben een heel wensenlijstje, waarvan twee elementen dankzij onze lobby nu ook in het coalitieakkoord zijn terechtgekomen: de generatietoets en de Klimaatautoriteit. De generatietoets houdt in dat nieuwe wetten en begrotingen moeten worden getoetst op de gevolgen voor jonge én toekomstige generaties, om beter in kaart te krijgen wat de langetermijneffecten zijn van de beslissingen die we nu nemen. De Klimaatautoriteit is een wetenschappelijke adviesraad die met de overheid meedenkt over hoe we de klimaatdoelen gaan halen en welk beleid daarvoor nodig is. Beide initiatieven kunnen grote toegevoegde waarde hebben als het gaat om het versterken van de daadkracht. Ze moeten de politiek in staat stellen om echt te doen wat er nodig is, want we vinden de overheid nog te traag en weifelend. De ambitie is weliswaar nog nooit zo hoog geweest als nu, maar the proof of the pudding is in the eating. Net als de rest van Nederland wachten we op de concrete uitwerking van het coalitieakkoord, maar we blijven niet stilzitten.’

De corporate governance code voor beursgenoteerde bedrijven stelt expliciet dat bedrijven een duurzame strategie moeten ontwikkelen, gericht op langetermijnwaardecreatie. Gebeurt dat al voldoende als het gaat om de klimaatproblematiek?
‘Eerlijk gezegd is het bewustzijn over de grote uitdaging die er voor ons ligt en de rol die bedrijven daarin zouden moeten spelen nog vrij klein. Uit een onderzoek van het Britse Hanover Research bleek dat minder dan de helft van de ceo’s in het Verenigd Koninkrijk een definitie kan geven van net zero, klimaatneutraal dus. In Nederland zal het niet heel anders zijn. Dat blijkt in de praktijk ook wel uit het feit dat in veel bedrijven duurzaamheid nog een aparte afdeling is. Verduurzaming is dan als het ware de verantwoordelijkheid van de sustainability-manager, terwijl er een integrale aanpak nodig is.
Om het onderwerp goed te laten landen binnen het hele bedrijf zouden alle werknemers – van schoonmaker en secretaresse tot manager – verplicht een aantal seminars of workshops moeten volgen over duurzame thema’s. Als iedereen weet wat zij of hij vanuit de eigen functie kan bijdragen, wordt het voor organisaties gemakkelijker om plannen daadwerkelijk uit te voeren.’

Zien bestuurders van bedrijven het bijdragen aan het oplossen van de klimaatproblematiek voldoende als prioriteit?
‘Als je hun vraagt of klimaatdoelen en duurzaamheid een prioriteit zijn, zal het antwoord veelal “ja” zijn. Heeft het genoeg prioriteit om echt stappen te zetten en eventueel het hele businessmodel op de schop te nemen? Nee. Dan krijgen winstgevendheid en waarde creëren voor aandeelhouders de overhand. Zo zijn er bedrijven die zeggen heel graag te willen bijdragen aan de energietransitie. Tegelijk rangschikken ze hun investeringen in projecten op volgorde van de terugverdientijd. Dan staan duurzame projecten gewoon onderaan. Zodra er bezuinigd moet worden, vallen die projecten onderaan het lijstje dus weg. Terwijl ze juist op de lange termijn de enige verstandige én meer winstgevende keuze zijn. Ze zeggen dan wel dat de energietransitie een prioriteit is, maar de praktijk laat toch iets anders zien.’

Wat zou er moeten gebeuren om dit patroon te doorbreken?
‘De meeste strategische plannen van bedrijven kennen een horizon van drie tot vijf jaar. Succes wordt afgemeten aan wat er in die periode is gerealiseerd. Wij pleiten ervoor om de lange termijn een steeds grotere rol te laten spelen. Voer ook in het bedrijfsleven een generatietoets in en pas die toe op alle voornemens uit het strategisch plan, zodat je mogelijke langetermijngevolgen voor het klimaat, maar ook thema’s als sociale gelijkheid of diversiteit, goed in kaart krijgt. Die uitkomsten moeten vervolgens onderdeel zijn van het besluitvormingsproces. Dan worden er andere, meer duurzame beslissingen genomen. Bij de overheid is inmiddels doorgedrongen dat zo’n generatietoets nodig is, maar het zou dus ook goed kunnen werken voor het bedrijfsleven.’

Moet de overheid het bedrijfsleven strenger reguleren, bijvoorbeeld door zo’n generatietoets verplicht te stellen?
‘In het ideale scenario zie ik de rol van de overheid vooral in het stellen van kaders, terwijl de uitvoering bij het bedrijfsleven zelf ligt. Gezien de omvang van de uitdaging en het tekort aan tijd vind ik wel dat de overheid, samen met de politiek, het bedrijfsleven zo veel mogelijk de goede kant op moet sturen, bijvoorbeeld door een aanpassing van het belastingsysteem waarbij materialen meer worden belast dan arbeid.
Ik ben ook benieuwd naar de in het coalitieakkoord aangekondigde maatwerkafspraken die de overheid wil maken met de 10 tot 20 grootste uitstoters van broeikasgassen. Die moeten niet te vrijblijvend zijn. Ik hoop dat het grote bedrijfsleven zich bereid toont echt een stip op de horizon te zetten en zich daar vervolgens aan te houden. Die maatwerkafspraken zouden er niet op moeten neerkomen dat er straks miljoenen aan subsidie gaan naar de grote industrie die jaarlijks miljarden aan winst boekt en desondanks stelt de energietransitie niet zelf te kunnen financieren. Probeer juist zoveel mogelijk de bedrijven te helpen die daar echt niet de middelen voor hebben.’

Klimaatactivistische organisaties zoals Milieudefensie richten hun pijlen steeds vaker direct op bedrijven, bijvoorbeeld door ze – zoals in het geval van Shell – voor de rechter te dagen. Vind je dat een geschikte aanpak?
‘Ik vind het jammer dat er aan het woord activist een negatieve connotatie kleeft. Ik zie mezelf als een activist. Ik vind ook Eurocommissaris Frans Timmermans en minister voor Klimaat en Energie Rob Jetten activistisch. Een activist is iemand die niet bang is om vraagtekens bij de bestaande orde te plaatsen. Het is goed en heel erg nodig dat Milieudefensie de gevestigde orde probeert uit te dagen en ter verantwoording roept. Tegelijk moet er een balans zijn tussen activisme en constructieve dialoog. Dat doen we als Jonge Klimaatbeweging ook. Als de politiek iets doet waar we het echt niet mee eens zijn, zeggen we niet alleen wat er fout is. We proberen altijd met een oplossing te komen en bieden aan om mee te denken. Alleen maar ergens tegenaan schoppen is niet goed; alleen maar blijven praten evenmin. We moeten een gulden middenweg vinden.’

Hoe is jouw eigen betrokkenheid bij de klimaatproblematiek ontstaan of gegroeid?
‘Tot mijn 19e was ik er eerlijk gezegd nauwelijks mee bezig. Het thema speelde niet in het dorpje in Brabant waar ik vandaan kom. Zelfs op school werd er geen aandacht aan besteed. De eerste keer dat ik ermee werd geconfronteerd, was toen ik tijdens mijn bachelor aan de University College The Hague verplichte vakken in earth, energy en sustainability moest volgen. Toen pas realiseerde ik me hoe groot de impact van klimaatverandering is en dat mijn eigen toekomst er niet per se rooskleurig uitziet. Dat was een klap in het gezicht. Sindsdien ben ik me er steeds meer in gaan verdiepen.
Een tweede aha-moment vormde een studieverblijf in Santa Barbara in Californië, in een periode dat daar de halve staat letterlijk in de fik stond door bosbranden en ouders van studievrienden daardoor hun huis kwijtraakten. Wat klimaatverandering betekent, voelde je er letterlijk in je longen als je de straat op ging. Vanaf dat moment kon ik niet meer wegkijken en heb ik besloten me de rest van mijn leven voor dit thema in te zetten. Terug in Nederland ben ik na mijn opleiding de Jonge Klimaatbeweging ingerold, eerst als bestuurslid en sinds oktober 2021 als voorzitter.’

Eerder zei je dat je van iedereen actie verwacht. Heb je de indruk dat het bewustzijn onder jongeren van jouw generatie breed leeft? Zijn zij bijvoorbeeld bereid hun reisgedrag en consumptiepatroon radicaal aan te passen?
‘In principe wel. Onderzoek laat zien dat een groot percentage van de jonge generatie zich bewust is van klimaatverandering, het heel erg vindt en er soms zelfs wakker van ligt. Jongeren geven aan hun gedrag graag te willen veranderen, maar weten tegelijkertijd niet goed hoe dat moet. Van de paar honderd euro die ze per maand verdienen, kunnen ze net hun huur betalen en boodschappen doen. Als je dan voor 30 euro met het vliegtuig op vakantie kunt terwijl een treinticket 300 euro kost, is dat een heel reëel dilemma.
Hetzelfde geldt voor het consumptiepatroon. Uit een enquête onder onze achterban van 100.000 jongeren blijkt dat 80 procent zegt in de toekomst niet per se een eigen auto te willen. Tegelijk realiseer ik me dat diezelfde jongeren, als ze wel een auto kopen of krijgen van hun werk en gewend raken aan het gemak ervan, die niet meer graag zullen inleveren. De vraag is dus hoe we ervoor kunnen zorgen dat die 80.000 jongeren inderdaad geen auto aanschaffen.’

Wat zou jouw antwoord zijn op die vraag?
‘Dan kijk ik deels toch weer naar de overheid. Zonder goed openbaar vervoer zullen mensen eerder voor een eigen auto kiezen. En wat vliegvakanties betreft: het is een probleem dat een treinticket nog steeds drie tot vijf keer duurder is dan een vliegticket. Alleen nationaal of internationaal beleid kan ervoor zorgen dat de duurzame, goede keuze standaard goedkoper en zo gemakkelijk mogelijk is. Daarnaast is er betere voorlichting nodig. Zo geven jongeren massaal aan dat ze graag willen werken voor een bedrijf dat positieve impact maakt. In de praktijk solliciteren ze echter vaak niet bij de meest duurzame bedrijven, maar bij de bedrijven met de beste marketing over hoe duurzaam ze zijn. Als die jongeren dan na een paar maanden ontdekken dat ze daar niet echt kunnen bijdragen aan een betere, mooiere wereld, haken ze weer af. We moeten daarom beter in kaart brengen welke bedrijven echt duurzaam zijn en hoe jongeren dit kunnen beoordelen.’

Welke keuzes maak je zelf als het gaat om het klimaat? Stap je zelf bijvoorbeeld nooit meer in een vliegtuig?
‘Ik geloof niet zo in nooit. Ik denk dat zo veel mogelijk een realistischer aanpak is. Ik probeer op allerlei terreinen zo duurzaam mogelijke keuzes te maken. Zolang ik in en rond de Randstad woon, kan ik me niet voorstellen dat ik een auto zou aanschaffen. Ik heb een paar jaar geprobeerd volledig plantaardig te eten, maar omdat het voor mij uiteindelijk niet werkte, eet ik nu héél af en toe weer vis, eieren en kaas. Ik probeer zo min mogelijk te reizen en wil eigenlijk niet vliegen, maar de COP 27 in november van dit jaar is in Sharm El-Sheikh in Egypte. Als ik daarnaartoe ga, neem ik misschien wel het vliegtuig maar zorg ik ook voor de juiste compensatie.’


Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 05 2022.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 25-05-2022

facebook