Marike Knoef over verliesaversie en keuzes in de nieuwe pensioenwet

'Kies niet te snel de standaardoptie'

Marike Knoef in gesprek met Stefan Duran

Marike Knoef over verliesaversie en keuzes in de nieuwe pensioenwet
De nieuwe pensioenwet biedt meer keuzevrijheid bij het vormgeven van het aanvullende pensioen. De manier waarop die keuzes aan deelnemers worden voorgelegd, heeft veel invloed op de uiteindelijke uitkomst, aldus hoogleraar micro-economie Marike Knoef. Bij complexe beslissingen kiezen mensen namelijk al snel voor de standaardoptie, die voor hen lang niet altijd de beste keuze is. ‘Daar ligt een grote verantwoordelijkheid voor pensioenfondsen.’ 

Een gesprek met micro-econoom Marike Knoef over het nieuwe pensioenstelsel gaat al gauw over menselijk gedrag. Hoe nemen we beslissingen op het gebied van pensioen, sparen, wonen en werk? Welke keuzes zijn wel of juist niet wenselijk? En hoe kun je mensen helpen om in het nieuwe stelsel de voor hen beste keuzes te maken? Wetenschappelijk onderzoek kan volgens Knoef bijdragen aan het inrichten van een goede ‘keuzearchitectuur’. Haar expertise ontleent ze, naast haar (bijzonder) hoogleraarschap in Leiden en Tilburg, ook aan haar functie als directeur van Netspar, een denktank en kennisnetwerk op het gebied van economische en sociale gevolgen van pensioenen, vergrijzing en ‘de oude dag’. Goede communicatie in de overgang naar het nieuwe stelsel is essentieel voor de maatschappelijke acceptatie van het nieuwe stelsel. ‘Het doel is nog steeds om mensen te ontzorgen. Om iemand een passend pensioen te bieden, zelfs als hij of zij 100 wordt.’ 

Uit onderzoek van Netspar blijkt dat de zorg om het pensioen vermindert naarmate mensen beter weten hoe het stelsel in elkaar steekt. ‘Nogal wat jongeren denken dat zij, als ze oud zijn, toch geen pensioen meer krijgen. Als ze er meer vanaf zouden weten, zouden ze daar geruster over kunnen zijn. De pensioengeletterdheid moet echt omhoog. Eigenlijk zou er op school al aandacht moeten zijn voor basale vragen als: wat is een pensioen? Hoe bouw je het op? Hoe gaan we om met de risico’s? Zo creëer je in elk geval een begin van bewustzijn.’

Het nieuwe pensioenakkoord biedt in vergelijking met de huidige situatie meer keuzemogelijkheden. In hoeverre kunnen en willen mensen keuzes maken over iets wat voor de meesten pas op de lange termijn gaat spelen?
‘Mensen vinden het in principe fijn om meer keuzes te krijgen; dat geeft een gevoel van controle. Tegelijk zien we dat ze het daadwerkelijk maken van die keuzes helemaal niet zo fijn vinden en dat liever delegeren. De Wet verbeterde premieregeling (Wvp), die in 2016 is ingevoerd, illustreert dat goed. Mensen konden toen kiezen tussen een vaste pensioenuitkering of een variabel bedrag gekoppeld aan de resultaten van beleggingen die na het pensioen doorlopen. Uit een evaluatie blijkt dat in 95 procent van de huidige Wvp-contracten is gekozen voor die vaste uitkering. Die 95 procent is veel meer dan je vanuit economisch-rationeel perspectief zou verwachten.’

Dat begrijp ik wel. Als je jarenlang gewend bent aan een vast inkomen, is het heel lastig om na je pensioen plots te kiezen voor een variabel inkomen. Of spelen andere factoren een rol?
‘Wat in elk geval meespeelt, is dat een vaste uitkering de default is: de standaardoptie waarin je automatisch terechtkomt als je geen keuze maakt. Bij wet is zelfs geregeld dat alleen pensioenfondsen onder bepaalde voorwaarden een andere default mogen kiezen. Het zou goed zijn als dit ook voor verzekeraars mogelijk wordt, want een default heeft grote invloed. Mensen blijven er vaak automatisch bij hangen, blijkt uit ons onderzoek. Dat heeft een aantal redenen. Het belangrijkste is misschien wel het cognitieve gemak. Bij complexe beslissingen is het cognitief eenvoudiger om bij de standaardoptie te blijven, zeker voor mensen die financieel wat minder geletterd zijn en de gevolgen van hun keuzes niet kunnen overzien. Daar komt bij dat de default ook wel als advies wordt geïnterpreteerd en het daardoor een beetje eng is ervan af te wijken. Ten slotte maakt het ook nog uit hoeveel moeite je moet doen om van de default af te wijken. Dan gaat het om simpele dingen als: moet ik ergens inloggen of ben ik al op een website en hoef ik alleen maar een vinkje te zetten? Op dat alles heeft de pensioenuitvoerder invloed. Dat brengt ook een bepaalde verantwoordelijkheid met zich mee. Omdat mensen niet gemakkelijk van de standaardoptie afwijken, moet je heel goed weten dat die optie past bij het merendeel van je deelnemers. Er ligt trouwens ook een verantwoordelijkheid voor de sociale partners via het pensioenfondsbestuur en voor de overheid als wetgever. De wetgever legt bijvoorbeeld vast welke standaardopties mogelijk zijn.’

Is het beter om geen standaardoptie in te stellen? Kiezen mensen dan eerder wat het beste aansluit bij hun persoonlijke situatie?
‘Niet per se. Dat heeft te maken met wat we in de gedragseconomie verliesaversie noemen: Het verschijnsel dat mensen veel sterker reageren op een verlies dan op een winst. De Wet verbeterde premieregeling is opnieuw een goed voorbeeld. We zagen dat 95 procent kiest voor een vaste uitkering. In onderzoek waar we ze de keuze zonder default voorlegden, koos nog steeds 87 procent voor die vaste uitkering. Erg veel dus. Dat lijkt een overreactie op de angst voor verlies. Als ik u één bonbon geef, bent u blij. Als ik uw buurman twee bonbons geef en er vervolgens weer eentje afpak, is hij minder blij – ook al heeft u allebei die ene bonbon. Winst geeft geluk, verlies hakt er veel sterker in – ook al is het resultaat hetzelfde. Door die verliesaversie, die eigenlijk irrationeel is, kiezen veel mensen liever voor die vaste uitkering.
Voor pensioenuitvoerders is het lastig om daarmee om te gaan. Ze zouden best wat risicovoller kunnen beleggen – vanuit rationeel oogpunt. Anderzijds wil je niet dat deelnemers wakker liggen van de risico’s die er met hun pensioen worden genomen. Wat dat betreft is het ook beter om in de uitkeringsfase slechte resultaten over een aantal jaren te spreiden om al te grote fluctuaties te voorkomen. De verliezen lijken dan minder groot. Dat maakt emotioneel gezien echt verschil, blijkt uit ons onderzoek.’

Waar moeten pensioenfondsen, verzekeraars of bedrijven met een eigen pensioenregeling zoals KLM en Unilever, nog meer op letten bij de inrichting van keuzes in het nieuwe pensioenakkoord?
‘Ze moeten zich realiseren dat ook de volgorde waarin ze keuzes aan mensen voorleggen van invloed is op de uiteindelijke uitkomst. Zo hebben we mensen een hypothetische situatie voorgelegd waarin ze extra of juist minder konden inleggen voor hun pensioen. In de ene groep stelden we eerst de vraag of ze extra wilden inleggen. Degenen die nee aanvinkten, kregen als vervolgvraag of ze wellicht juist minder wilden inleggen. In een andere groep vroegen we eerst of ze minder wilden inleggen. Degenen die daar nee aanvinkten, kregen als vervolgvraag of ze misschien meer wilden inleggen. Je zou verwachten dat het onder de streep niet uitmaakt en dat in beide groepen een vergelijkbaar aantal mensen meer of minder wil inleggen. Toch is dat niet zo. In elke groep bleken de meeste mensen te kiezen voor de optie die we als eerste aanboden. In de groep waar we eerst vroegen of men extra wilde beleggen, was de totale inleg daarom hoger dan in de groep waar we eerst vroegen of ze minder wilden bijdragen.’

Het pensioenakkoord gaat natuurlijk maar over één onderdeel van de totale oudedagsvoorziening, naast bijvoorbeeld AOW, spaargeld of eigen woning. Moeten sociale partners dit actief meenemen in het pensioenakkoord en in de keuzes die mensen voorgelegd krijgen?
‘Ik vind dat heel belangrijk. Het akkoord stelt ook dat pensioenfondsen hun beleggingsbeleid moeten afstemmen op de risicohouding per leeftijdscohort. Risicohouding is een combinatie van risicobereidheid en risicocapaciteit. In de pensioensector ligt er nu vooral nadruk op het meten van de risicobereidheid en minder op risicocapaciteit. Die capaciteit heeft overigens niet alleen te maken met financiële middelen als spaartegoeden en eigen woning, maar ook met menselijk kapitaal en arbeidsmarkt. Wat is per sector de kans dat iemand op oudere leeftijd werkloos of arbeidsongeschikt wordt? Hoeveel mensen hebben een zwaar beroep en halen wellicht de pensioenleeftijd niet? Wie heeft genoeg menselijk kapitaal om na het pensioen door te werken? Hoe meer je daarover weet, hoe beter je kunt vaststellen welk beleggingsbeleid bij je deelnemers past.’

Dat lijkt op een mijnpensioenoverzicht.nl-plus. Wat is er nodig om met al die factoren rekening te kunnen houden?
‘In het ideale geval bepaal je risicobereidheid en risicocapaciteit simultaan. Wat dat betreft zou het goed zijn als er in de toekomst een financiële infrastructuur beschikbaar komt waarin we dit soort data op een privacybestendige manier kunnen delen. Toch zijn er ook nu al mogelijkheden om meer inzicht te krijgen in de risicocapaciteit. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft statistieken over pensioenaanspraken, woningwaarde en hypotheken. Het is mogelijk om uit gegevens van de Belastingdienst geanonimiseerde informatie over spaartegoeden te halen. Met die informatie kunnen onderzoekers een totaalplaatje per sector maken en de risicocapaciteit op groepsniveau per leeftijdscohort bepalen. Daarbinnen kun je weer keuzes maken. Wil je de welvaart voor de hele groep maximeren of richt je je – vanuit een solidariteitsgedachte – vooral op het verhogen van de welvaart van degenen die het slechtst af zijn? Je kunt er natuurlijk ook tussenin gaan zitten.’

In hoeverre beseffen mensen überhaupt welke risico’s ze nemen? Zijn er al methodes ontwikkeld om hen te helpen om in het nieuwe stelsel de voor hen beste keuzes te maken?
‘Een vaak gebruikte methode in de literatuur is een combinatie van loterijvragen. Toegepast in het pensioendomein betekent dit dat deelnemers (een aantal keer) moeten kiezen tussen twee mogelijke pensioenuitkomsten. Pensioen A is een risicovolle variant met een hoger verwacht pensioen, maar juist een lager pensioen in een tegenvallend scenario. Pensioen B is de veilige variant met over de gehele linie minder winst, maar ook minder verlies als het tegenzit. Deze methode wordt bijvoorbeeld door Aegon gebruikt. Een andere methode, die bijvoorbeeld Achmea en IG&H gebruiken, is de pension builder. Daarbij kunnen deelnemers zelf de verdeling van pensioenuitkomsten bepalen, toegespitst op hun inkomenssituatie. Ook is er een methode waarbij mensen gevraagd wordt geld te verdelen over tijd. Welke methode je gebruikt, hangt ook af van de financiële geletterdheid van de deelnemers. Sommige methodes zijn tamelijk precies maar ingewikkeld. Anderen zijn minder precies maar weer wat makkelijker.
Netspar doet momenteel onderzoek bij een pensioenfonds waarbij we voor financieel laaggeletterden een saaie wetenschappelijke vragenlijst visualiseren met game-achtige elementen. Als je in de standaardvragenlijst bijvoorbeeld moest kiezen tussen vier opties voor de afweging tussen risico en rendement, vaar je in dit model met een bootje langs vier eilanden en moet je beslissen waar jij wilt aanmeren voor je pensioen. We willen weten of zulke elementen de respons en de kwaliteit van de antwoorden omhoog brengen. We moeten ons realiseren dat we in de wetenschap weliswaar veel kennis hebben over het meten van risicobereidheid, maar dat dit lang niet altijd is toegepast in het complexe pensioendomein. Daarom moeten we de komende jaren veel meer onderzoek doen, daarvan leren en zo verder komen.’

Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 07 2021.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 30-11--0001

facebook