Harold Poelma (Cargill): 'Betaalbaar voedsel én verduurzaming'

Harold Poelma (Cargill): 'Betaalbaar voedsel én verduurzaming'
Harold Poelma, ceo van de Nederlandse tak van agro-industrieel concern Cargill, ziet overal in de keten technologische mogelijkheden om efficiënter en duurzamer te werken. Dat vraagt om forse investeringen in een competitieve grondstoffenmarkt én om verantwoorde politieke beslissingen. ‘Niets doen is geen optie, want dan verplaatsen we problemen.’

Duurzaamheid is steeds nadrukkelijker onderdeel van de strategie van ondernemingen. Zeker voor bedrijven in de agrosector als Cargill, die hun grondstoffen direct uit de natuur betrekken. Zo zijn de extreme weersomstandigheden door klimaatverandering van invloed op de wereldwijde landbouwoogsten van cacao en mais en daarmee indirect ook op de activiteiten van het agro-industriële concern.
Op een verantwoorde wijze produceren is in het belang van mens, milieu en maatschappij én in het belang van de onderneming, zegt Harold Poelma, ceo van Cargill Nederland, de Nederlandse tak van het Amerikaanse agro-industriële concern. Cargill is in ruim 70 landen actief bij de productie van voedselingrediënten en het verwerken, verspreiden en verhandelen van landbouwproducten, met zo’n 155.000 medewerkers wereldwijd, waarvan 23.000 in Europa. Poelma – ook verantwoordelijk voor de wereldwijde cacao- en chocolade-activiteiten van het concern – legt uit dat er veel wordt geïnvesteerd in verduurzaming binnen alle onderdelen in het concern. Hij spreekt met Erik Suichies van energiebedrijf Vattenfall over de uitdagingen die dat met zich meebrengt. Bijvoorbeeld op het gebied van de betaalbaarheid voor de eindklant, de consument. 

Substantiële investeringen
De verduurzaming van het bedrijf vraagt om substantiële investeringen. De structuur van de onderneming biedt ruimte voor investeringen in duurzaamheid; Cargill is 157 jaar na de oprichting nog altijd eigendom van de familie. ‘De familie wil dat de activiteiten een positieve impact hebben op alle stakeholders. Die wens wordt expliciet gemaakt in onze missie: nourishing the world in a responsible, safe and sustainable way.’ Aandeelhouders zijn niet de enigen die de verduurzaming van grote bedrijven als Cargill kritisch volgen. Op de ochtend van het gesprek roept milieuorganisatie Milieudefensie publiekelijk 29 grote bedrijven op om met een concreet en haalbaar klimaatplan te komen. Bij het uitblijven volgen mogelijk juridische stappen. Cargill staat niet op de lijst, maar Poelma is zich bewust van de maatschappelijke tendens. Zo’n oproep komt niet onverwacht, zegt Poelma. ‘Organisaties als Milieudefensie voeren de druk op bedrijven op om hen te dwingen om hun ecologische footprint te verminderen. Het is belangrijk om je zaken goed op orde te hebben. Stel concrete klimaatdoelen en laat zien hoe je die gaat behalen.’

Klimaatverandering heeft overal en op verschillende manieren impact op uw onderneming. Bijvoorbeeld op het slagen van oogsten en de prijs van grondstoffen. Hoe maakt duurzaamheid deel uit van de strategie?
‘Verduurzaming is geen vrijblijvende wens. We kunnen het ons als samenleving niet veroorloven om de temperatuur op deze wereld sterk op te laten lopen. De noodzaak tot verandering is duidelijk. Bij ons en bij onze klanten. Overal in de organisatie kijken we daarom waar we kunnen verduurzamen. De samenwerking met Vattenfall is een voorbeeld: 90 procent van de elektriciteit die we in Nederland gebruiken komt straks uit hernieuwbare bronnen. Cargill neemt vanaf 2023 direct stroom af van Windpark Hanze van Vattenfall. Als het park gereed is, zal het de CO2-uitstoot van Cargill met ongeveer 153.000 ton per jaar verminderen. De resterende 10 procent van ons energieverbruik moet in 2025 ook hernieuwbaar zijn.
Dergelijke keuzes sluiten ook aan bij de duurzame ambities van onze klanten in bijvoorbeeld de voedingsmiddelensector. Ook zij stellen zichzelf uitdagende duurzame doelen, bijvoorbeeld om alleen nog producten aan te bieden die CO2-neutraal zijn geproduceerd. (Unilever bijvoorbeeld wil in 2039 zijn emissies tot nul gereduceerd hebben, red.). Dat heeft ook impact op onze activiteiten. Cargill maakt nadrukkelijk deel uit van de ketens van deze bedrijven. Het is belangrijk om samen met klanten de lat telkens hoger te leggen. Daarmee kunnen bedrijven zich onderscheiden van de concurrentie. Tegelijk moet je afspreken wie de kosten draagt van de verduurzaming, die discussie kan soms schuren.’

De ambities van uw klanten in onder meer de voedingsmiddelensector stimuleren de onderneming tot verduurzaming. Tegelijk vraagt dit om forse investeringen. Hoe maakt u daarin de juiste afwegingen?
‘De grootste spanning zit tussen het tegemoetkomen aan de groeiende vraag naar betaalbaar voedsel én het voorkomen van klimaatverandering. Dat zijn complexe afwegingen. Ook al omdat de vraag naar betaalbaar voedsel al jaren toeneemt door de groei van de wereldbevolking. Het voedingspatroon verandert. Het is een bekend gegeven dat veel mensen vlees toevoegen aan hun menu als het besteedbaar inkomen boven een bepaald niveau komt. Vlees heeft een grotere ecologische footprint dan veel andere voedingsmiddelen.
Het is onze uitdaging om op een verantwoorde en efficiënte manier aan de vraag te voldoen. Vergis je niet in het sociale aspect; de reactie van consumenten op de substantiële inflatie waar zij nu mee te maken krijgen in de supermarkt laat zien hoe belangrijk de betaalbaarheid van voedsel is. In die dynamiek moeten we de juiste keuzes maken. Technologie is daarbij een belangrijk instrument, we kijken continu in onze processen waar innovatie en efficiëntie mogelijk zijn.’

Technologie helpt om beter en efficiënter te werken. Waar ziet u de kansen?
‘We zoeken naar efficiëntieverbeteringen in de hele keten. Het is zorgelijk dat vandaag de dag nog steeds 30 procent van het voedsel verloren gaat in de keten. Technologie kan daarnaast helpen om de opbrengst per hectare op een verantwoorde manier te verhogen. Steeds meer boeren kiezen voor betere gewasvariëteiten en precision farming, waarbij computergestuurde landbouwmachines beoordelen wat het gewas nodig heeft. Ook stimuleren we regeneratieve landbouw, boeren die aantoonbaar op een weloverwogen manier met de bodem omgaan belonen we met een hogere prijs voor producten. De vruchtbaarheid van de bodem wordt beter en dat zorgt voor een hogere opbrengst per hectare.
Ook volgen we de ontwikkelingen op het gebied van waterstof met bijzondere interesse. In onze energiebehoefte is elektriciteit heel belangrijk, maar je kunt niet alles elektrificeren. Voor diverse productieprocessen is warmte nodig. Nu gebruiken we daar methaangas voor, het zou prachtig zijn als we dit in de toekomst kunnen vervangen door waterstof. In Nederland zie ik daarin samenwerking met andere ondernemingen die veel energie gebruiken zoals staalbedrijf Tata Steel, chemiebedrijf Dow Chemical en kunstmestproducent Yara. Het zou mooi zijn als ik straks kan zeggen: onze elektriciteitsbehoefte is afgedekt met wind en onze gasbehoefte met waterstof.’

Kijkt u ook naar mogelijkheden met partners binnen de keten?
‘Ja, in 2020 bijvoorbeeld werkte Cargill samen met maritiem dienstverlener BAR Technologies om hun WindWings – grote, stevige zeilen die tot 45 meter hoog kunnen worden – naar het dek van bulkvrachtschepen te brengen om de kracht van de wind te benutten. Een reductie van 30 procent CO2-uitstoot is hiermee haalbaar.
Verduurzaming zit in de details. Vanuit Amsterdam, de grootste cacao-overslaghaven ter wereld, vervoeren we binnenkort de cacao per geëlektrificeerd binnenvaartschip naar onze fabriek in Zaandam. Telkens ontdekken we nieuwe mogelijkheden voor verduurzaming en proberen we die uit.’

De keuzes van consumenten zijn van grote invloed op de effecten van de verduurzaming. Ziet u daar een rol voor Cargill in weggelegd?
‘De consument moet zelf kunnen kiezen, ik ga niet op zijn of haar stoel zitten. Wel kun je aantrekkelijke duurzame alternatieven bieden. Zo investeren we in de ontwikkeling van alternatieve plantaardige proteïnes, bijvoorbeeld met een Amerikaanse partner die vleesvervangers uit erwten maakt. In het Zeeuwse Sas van Gent werken we samen met een ander bedrijf aan de ontwikkeling van mycoproteïnes, een schimmeleiwit. Die groeien dankzij fermentatie op de door ons geleverde voedingsbodems geproduceerd van tarwe. Nu is het nog een niche, maar ik verwacht een sterke groei.’

U bent naast uw rol als bestuurder van Cargill Nederland wereldwijd verantwoordelijk voor cacao: een sector die zijn eigen uitdagingen kent op het gebied van duurzaamheid.
‘Cacao wijkt af van andere grondstoffen als tarwe, mais en soja, die door grote professionele landbouwbedrijven op efficiënte wijze worden verbouwd. Cacao wordt verbouwd door kleine boeren in West-Afrika. De organisatiegraad is laag; coöperaties of grote plantages zijn er bijna niet. Door het gebrek aan professionaliteit is de opbrengst per hectare laag. Het risico op ontbossing is groot doordat boeren in het tropisch bos de mogelijkheid zien en zoeken voor uitbreiding van hun landbouwgrond. Samen met de andere partijen in de sector proberen we de boeren zoveel mogelijk te organiseren en kennis bij te brengen om de opbrengst van hun huidige land te vergroten. Met alle grote cacao- en chocoladebedrijven in de markt is bovendien vastgelegd geen cacao te kopen die afkomstig is uit nationale parken en bossen die door de overheid zijn aangewezen als beschermd.
Om dit goed in te vullen, zijn wij jaren geleden gaan investeren in het vastleggen van de GPS-coördinaten van de boerderijen die aangesloten zijn bij de coöperaties waarvan wij kopen, en in het opzetten van traceerbaarheidssystemen. De traceerbaarheid gaat straks voor alle partijen gelden die cacao of cacaoproducten in Europa willen importeren. Er is een nieuwe wet in voorbereiding die bepaalt dat producten die geïmporteerd worden in de EU niet gerelateerd mogen zijn aan ontbossing. Daarmee geeft de EU ook een sterk signaal naar de landen van oorsprong: kijk goed naar je landbouwbeleid.’

De discussie tussen prijs en duurzaamheid komt ook hier terug. Hoe ziet u de rol van Cargill en wat is uw rol als leverancier tussen producent en eindgebruiker in?
‘De dialoog is ontzettend belangrijk. We overleggen met boerenorganisaties en met de overheden van Ghana en Ivoorkust over het duurzaamheidsbeleid. Het is hun verantwoordelijkheid om het beleid goed te handhaven. Dat geeft ook wel een zekere spanning, omdat je regels oplegt aan ketenpartijen die daar misschien niet aan kunnen voldoen. Je moet je bewust zijn van je positie. Ontbossing ontstaat doordat de bevolking in landen toeneemt. Je kunt het de boeren niet kwalijk nemen dat ze een goed bestaan willen opbouwen. In Nederland deden we het 200 jaar geleden niet anders: als een stuk landbouwgrond was uitgeput, schoof de boer ook op naar een volgend stuk vruchtbaar land.
Die dynamiek vraagt dus goed lokaal beleid; een overheid die zegt: “Deze gebieden duiden wij aan als bossen en gaan we ook bewaken.” Onze rol als bedrijf is daarin beperkt, we kunnen wel de boeren laten zien hoe ze meer opbrengst van de grond krijgen.’

Het is duidelijk dat de verduurzaming vraagt om forse investeringen, in een competitieve grondstoffenmarkt. Hoe behoudt Cargill zijn concurrentiepositie?
‘Het werkt alleen als alle marktpartijen aan dezelfde eisen moeten voldoen. Er moet een level playing field zijn, bijvoorbeeld door de voorgestelde Europese carbon border tax waarin de prijs van CO2-uitstoot is verwerkt. De praktijk is nog anders. Een voorbeeld: in de Amsterdamse haven produceren we zonnebloemolie waarbij we aan allerlei wettelijke voorwaarden voldoen. We betalen ook de wettelijke CO2-rechten om de uitstoot te compenseren. Als de EU om geopolitieke redenen besluit om Oekraïne, dat ook deze olie produceert, te vriend te houden en hen vrij te stellen van importheffing, dan kunnen zij die olie hier veel goedkoper op de markt brengen. Cargill kan dan heel efficiënt en duurzaam produceren, maar zo ontstaat ongelijkheid.
Om de Europese industrie concurrerend te houden moet je dus ook de producten die hier binnenkomen op de juiste manier beprijzen. Dat stimuleert bedrijven ook om bijvoorbeeld verder te investeren in verduurzaming en energiebesparing. Niets doen is geen optie, anders verdwijnt de productie naar fabrieken elders. Daarmee verplaats je als het ware de uitstoot van onze consumptie naar een andere locatie. Net zoals we vanuit Europa al eerder de emissies van onze consumptie hebben geoutsourced naar China. Je kunt wel met de vinger wijzen naar andere landen, maar het is goed om je te bedenken dat het ónze consumptie is die daar wordt geproduceerd in bedrijven die misschien wel 30 procent meer CO2 uitstoten dan vergelijkbare industrie in Europa. Dat is voor niemand een wenselijke uitkomst.’


Dit artikel is gepubliceerd in Management Scope 02 2022.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 09-02-2022

facebook