Sylvo Thijsen (Staatsbosbeheer) over de stikstofdiscussie

Sylvo Thijsen (Staatsbosbeheer) over de stikstofdiscussie
Sylvo Thijsen, directeur van Staatsbosbeheer, is dagelijks bezig met de gevolgen van klimaatverandering voor de natuur. Toch heeft hij wel degelijk begrip voor het verzet van boeren tegen de stikstofplannen van het kabinet. Hij ziet manieren om uit de impasse te komen, te beginnen bij het creëren van een level playing field waarin de positie van de boer gelijk is aan die van de industrie en de hele keten. ‘Beleidsmakers zouden niet de existentie van bedrijven ter discussie moeten stellen.’

Eind mei werd het pand van Staatsbosbeheer aan het Smallepad in Amersfoort beklommen door klimaatactivisten van Extinction Rebellion, die eisten dat Staatsbosbeheer de samenwerking met Shell zou beëindigen. ‘Dan volg ik een dag geen social media’, zegt Sylvo Thijsen, ‘want ik hoef al die bedreigingen niet te zien.’
Shell en Staatsbosbeheer zijn voorjaar 2019 een langdurige samenwerking gestart, waarbij ze in 12 jaar tijd ruim 5 miljoen bomen willen planten in Nederlandse bossen. Thijsen ziet dat niet als greenwashing (het verwijt van Extinction Rebellion), maar als een van de manieren waarop Shell en andere bedrijven medeverantwoordelijkheid nemen voor CO2-reductie in het land waar ze profiteren van fiscale en financiële voordelen. Andersom helpt zo’n samenwerking met commerciële partijen Staatsbosbeheer, Nederlands grootste grondbezitter, bij de duurzame exploitatie van de 270.000 hectare bos, natuurgebied en landschap die het beheert. 

Als verzelfstandigde dienst van het Rijk is Staatsbosbeheer hiërarchisch niet ondergeschikt aan, maar wel ressorterend binnen het domein van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en waaronder ook minister voor Natuur en Stikstof Christianne van der Wal valt. Thijsen: ‘Dat is best een bijzondere positie. Enerzijds hebben we enige afstand tot de Haagse praktijk, anderzijds is het onze verantwoordelijkheid om het overheidsbeleid ten aanzien van bos- en natuurbeheer, maar bijvoorbeeld ook recreatie in die natuur uit te voeren. We worden vaak in een adem genoemd met single focus groups als Natuurmonumenten, Natuur en Milieufederaties of Greenpeace, maar wij zijn ambtenaren en geen vereniging met leden of een belangenclub. Onze achterban is de Nederlandse belastingbetaler. Wij proberen de groene nutsvoorziening voor alle Nederlanders te zijn.’ Van Doorne zit geregeld aan tafel met bedrijven uit de agro-industrie die juridisch advies nodig hebben rondom vergunningen.

Dit gesprek vindt plaats op de dag dat stikstofbemiddelaar Johan Remkes aan tafel zit met natuurorganisaties om over het stikstofdossier te praten. De meeste natuurorganisaties wijzen concessies aan de boeren vierkant af. U komt op voor de natuur in Nederland, maar verpacht ook ruim 15 procent van uw grond aan boeren. Wat betekent dat voor uw standpunt?
‘Wij zijn gewend om met tegenstrijdige belangen bij gevoelige thema’s om te gaan. Dan gaat het niet alleen om stikstof, maar ook om thema’s als het al dan niet kappen van bomen, het gebruik van hout voor energieopwekking, wildbeheer of de discussie rondom al dan niet bijvoeren van runderen en paarden in de Oostvaardersplassen. En we proberen altijd om, binnen de kaders van de wet, heel goed te luisteren en ons te verdiepen in de positie van de ander. Ook in het stikstofdossier zou het helpen als mensen uit hun eigen loopgraven komen. Dat geldt zowel voor de boeren als voor degenen die het donkergroene standpunt aanhangen dat niemand ooit aan de natuur mag komen. Wij hebben 5.000 boeren als partners die dicht tegen een natuurgebied aan zitten, of zelfs erin. Onze ervaring is dat zij over het algemeen heel goed begrijpen dat er kwalitatieve verplichtingen zijn als wij grond beschikbaar stellen, bijvoorbeeld wat betreft het gebruik van pesticiden, mestgift of ontwormingsmiddelen bij runderen.’

Welke aanpak zou u, vanuit uw ervaring met het omgaan met verschillende stakeholders met soms tegengestelde belangen, adviseren om uit de impasse te komen?
‘Wat ons betreft moeten er drie dingen gebeuren. Ten eerste moet er op heel korte termijn een goed meet- en monitoringsysteem voor stikstofemissies en stikstofdeposities komen. Nu is veel gebaseerd op het Aerius-model, dat de mate van stikstofbelasting voor elk Natura 2000-gebied (een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, red.) en voor alle gebieden samen meet. Dat is weliswaar juridisch en wetenschappelijk akkoord bevonden, maar de vertaling op individueel bedrijfsniveau is nog niet gemaakt en daarom maatschappelijk niet geaccepteerd. Er zijn 163 Natura 2000-gebieden in Nederland. Staatsbosbeheer beheert 128. Hiervan zijn er 110 met een te hoge KDW ofwel kritische depositiewaarde. Ik zou graag hulp aanbieden bij het opzetten van een meetmethode waar we het wél over eens kunnen zijn, gebaseerd op empirische, objectieve gegevens die direct naast een boerenbedrijf en een natuurgebied zijn vastgesteld. Ik denk dat je daardoor het draagvlak bij de Nederlandse bevolking en specifiek bij de boeren kunt vergroten.
Ten tweede moeten we veel beter prioriteren en differentiëren. Je kunt niet alle boeren in heel Nederland vóór 2030 op de helft van de in mijn ogen theoretisch vastgestelde stikstofnorm krijgen. Nu is alles op alles gericht, terwijl het beter zou zijn pakketten van maatregelen samen te stellen voor de korte en de langere termijn en voor binnen en grenzend aan de Natura 2000-gebieden. Tenslotte – dat zou mijn derde punt zijn – moet je de constructieve dialoog weer op gang zien te krijgen en de ruis en verontwaardiging weten te reduceren.’

U spreekt veel agrarische ondernemers. Hoe verklaart u hun wantrouwen en verontwaardiging?
‘Om een constructieve dialoog op te zetten, heb ik geleerd, moet je eerst een fair proces inrichten. Dat is nu niet gebeurd. Het is niet handig om tegen boeren te zeggen dat ze moeten stoppen, je hebt het óók niet over het stoppen van andere industrieën. Dan creëer je geen level playing field waarin de positie van de boer gelijk is aan die van de industrie en de hele keten. Het is dus verklaarbaar dat de landbouw zich veel sterker gepakt voelt dan de industrie, terwijl toch een belangrijk aandeel van het huidige milieuprobleem te koppelen is aan emissies van heel andere stoffen die net zo schadelijk zijn als stikstof. Voor het draagvlak en de maatschappelijke acceptatie zou daar wat meer evenwicht in kunnen zitten.
Ik vind sowieso dat je als beleidsmaker niet de existentie van bedrijven ter discussie moet stellen, maar het moet hebben over hun bedrijfsvoering en consistente kaders. Daar ligt immers de oorzaak van het probleem. De manier waarop die bedrijfsvoering is ingericht, is in het geval van de boeren bovendien mede ontstaan door overheidsbeleid. Toen in 2015 de superheffing werd stopgezet en het melkquotum losgelaten, kon de melkveehouderij in een keer flink uitbreiden en zich ook flink bij de bank in de schulden steken om die uitbreiding gefinancierd te krijgen. Vervolgens kregen ze in een paar jaar tijd te maken met de fosfaatwet, de stikstofwet en nu inkrimping of zelfs opheffing van hun bedrijf. Daardoor overheerst bij de beroepsgroep het gevoel dat ze op de nadelen worden getrakteerd van het beleid dat door de overheid is gemaakt. Jammer, want nu hebben we een heel scherpe discussie die heel veel tijd kost en gekost heeft. Daardoor kan het zowel technisch als juridisch lastig worden om vóór 2030 voldoende bedrijven te onteigenen of op te kopen.’

Er zou dus een fair proces moeten worden ingericht om tot goede afspraken met individuele boeren te komen. Dat klinkt als polderen, terwijl dat door sommigen juist als onderdeel van het probleem en minder democratisch wordt gezien. Zo gaf de Raad van State eerder in haar jaarverslag aan dat de politiek juist te veel zou luisteren naar klimaattafels en andere polderoverleggen waar verschillende stakeholders bij elkaar worden gezet. Daarmee zou de wetgever zich buitenspel zetten. U deelt die bezwaren niet?
‘Natuurlijk kan polderen uitlopen op een soort grijs compromis waar niemand iets aan heeft, maar correct en objectief ingericht is het juist de kracht van dit land. Je mag verwachten dat het kabinet, als hoogste bestuurlijk orgaan, het overleg goed weet in te richten. Dat zou een core competence moeten zijn. Helaas is door decentralisatie op allerlei vlakken veel kennis bij het Rijk verloren gegaan. Ik heb 30 jaar bij Grontmij gewerkt, waar we ons brood verdienden met landinrichtings- en ruilverkavelingsprojecten. In de uitvoeringscommissie zaten altijd partijen met verschillende belangen aan tafel: boeren, recreatie, natuur, gemeente, waterschappen. Met elkaar maakten ze een gebiedsplan voor 15 of 20 jaar, met wegen en waterlopen, verplaatsing of al dan niet opkopen van boerenbedrijven, bij elkaar voegen van percelen et cetera. De Dienst Landelijk Gebied, die dat faciliteerde, is in 2015 van overheidswege opgehouden te bestaan.
We hadden ook een bank waar we grond konden inbrengen, het Bureau Beheer Landbouwgronden. Dat is volledig afgebouwd en op de plank gelegd. Ik ben juist een beetje teleurgesteld over hoe onder meer de principes van het polderen in het landelijk gebied zijn verdwenen. Dat verklaart deels waarom de boeren zich niet gehoord voelen. Mijn voorstel zou zijn om goed te kijken naar de instrumenten en overlegstructuren die we toen hadden en die – aangepast aan de huidige tijd met meer provinciale inbreng – voor de komende tien jaar weer in gang te zetten.’

Hoe voorkom je dat het polderen alsnog ontaardt in een grijs compromis? De problemen zijn immers groot en urgent.
‘Het is heel belangrijk om van tevoren goed af te spreken wat de gemeenschappelijke uitgangspunten zijn, hoe je het spel gaat spelen en wat de spelregels zijn, maar ook duidelijk te maken dat je nooit op voorhand kunt zeggen wie er “wint”, dus wie er meer of minder voordeel heeft bij een bepaalde uitkomst. Als je het eens bent over de uitgangspunten en doelen, kun je het vervolgens hebben over de verschillende manieren om die doelen te bereiken. Er is namelijk nooit één beste oplossing. Het is in het algemeen fijn als je een scala van maatregelen met meer en minder ernstige persoonlijke consequenties kunt aanreiken.’

En als de hakken alsnog in het zand gaan?
‘Zelfs als je de emoties scheidt van de feitelijke en wetenschappelijke kant, zijn er altijd punten waar je het nooit over eens wordt. Op enig moment houdt het overleg op; dat is altijd al zo geweest. Uiteindelijk heb je met wetten en regels te maken. Het is niet mijn bedoeling de Habitatrichtlijn artikel 6, de stikstofnormen of de klimaatverandering ter discussie te stellen, maar wel om de vereiste transitie minder disruptief te laten verlopen. Ik geloof meer in een geleidelijke transformatie waarbij je groepen maatregelen in de tijd uitzet en differentieert per type boerenbedrijf. De grootste pijn zit bij de intensieve veehouderij – de varkens- en pluimveehouders – in de oude, agrarische cultuurlandschappen op de arme zandgronden. Dat zijn bijvoorbeeld de Gelderse vallei, de Kempen, de Peel en delen van Noord-Limburg. Als we investeren in het aanpakken van 50 tot 70 bedrijven die buitensporig veel uitstoten, de zogenaamde piekbelasters, hebben we daar als samenleving misschien wel sneller profijt van dan als we met 50.000 boeren afzonderlijk gaan praten. Dat soort afwegingen zullen er gemaakt moeten worden. Beter omvormen dan opkopen.’

Net als alle organisaties in Nederland moet ook Staatsbosbeheer een bijdrage leveren aan de ESG-doelen. Hoe pakt u dit aan?
‘Bij Staatsbosbeheer heb ik de kwaliteits- en milieucertificering (9001 en 14001) ingebracht en ook de duurzaamheidsverslaglegging. Behalve de samenwerking met grote bedrijven als Shell om bossen en beplanting aan te leggen, werken we ook veel samen met startups. Zo maakt Avantium met houtsnippers van Staatsbosbeheer biologisch afbreekbare PEF-flessen. Andere startups kijken hoe ze bijvoorbeeld afvalhout technologisch zodanig kunnen bewerken dat je ermee kunt bouwen, of maken bouwplaten van het organisch materiaal uit de sloten die wij elk jaar graven om te voorkomen dat moerasgebieden dichtgroeien. Zo kijken we op allerlei manieren wat onze bijdrage kan zijn aan de kwaliteit van lucht, water en bodem.
Tegelijk vind ik het belangrijk dat we een sociaal-maatschappelijke bijdrage leveren. Naast de 1.400 mensen in vaste dienst werken er dagelijks nog eens 10.000 mensen op onze terreinen. Zo’n 8.000 vrijwilligers, aannemers, maar ook taakgestraften, mensen in de Participatiewet, de Wet sociale werkvoorziening en jongens en meisjes in scholingstrajecten voor moeilijk opvoedbare jongeren. Er zijn tienduizenden mensen met enige afstand tot de arbeidsmarkt in Nederland, die niet in de digitale wereld kunnen werken, maar wel buiten in de natuur met minder prikkels. Het is toch mooi dat wij hen op onze terreinen aan een zinvolle dagbesteding kunnen helpen.’

Waar komt eigenlijk uw passie voor de natuur en dit werk vandaan?
‘De eerste tien jaar van mijn leven was mijn vader hoofd natuurbeheer bij Staatsbosbeheer in Brabant. Van hem leerde ik al heel snel bepaalde vogel- en plantensoorten kennen. De liefde voor de natuur en kennis van alles wat die natuur kan bedreigen, zit dus een beetje in de genen. En nomen est omen: mijn vader heeft me als oudste zoon bewust Sylvo genoemd, afgeleid van het Latijn voor bos. Ik herinner me trouwens dat mijn vader me indertijd al wees op het pijpenstrootje, een grassoort die het goed doet bij veel stikstofuitstoot en dan de heide kan verdringen. De stikstofuitstoot is nu absoluut te hoog, maar we vergeten wel eens dat hij toen nog vele malen hoger was.’ 

Interview door Ingeborg Wind-Middel, advocaat-partner bij advocatenkantoor Van Doorne. Gepubliceerd in Management Scope 08 2022.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 28-09-2022

facebook