MVO: kracht van het recht of macht van de markt?

MVO: kracht van het recht of macht van de markt?
Hoe beweeg je bedrijven tot meer inzet op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen? En hoe disciplineer je ze om te voldoen aan algemeen aanvaarde normen op dit gebied? Hoogleraar accounting Jan Bouwens en hoogleraar ondernemingsrecht Tineke Lambooy in debat over de kracht van het recht en de macht van de markt.

Twee hoogleraren die met elkaar debatteren over maatschappelijk verantwoord ondernemen… dat wordt een echt verbaal robbertje als de ideologische uitgangspunten zo verschillend zijn als bij deze twee ‘opponenten’. Jan Bouwens speelt een thuiswedstrijd, want deze battle vindt plaats in het transparante glazen pand van de Amsterdam Business School waaraan hij als hoogleraar accounting verbonden is. Hij gelooft dat vooral de markt – met name klanten en consumenten – de macht heeft om bedrijven van koers te laten veranderen. Zijn gesprekspartner is hoogleraar ondernemingsrecht Tineke Lambooy, verbonden aan Nyenrode Business Universiteit. Zij vindt juist dat de macht van de grote marktspelers, sterker dan nu het geval is, moet worden bijgestuurd door wet- en regelgeving. Aan gespreksleider Leen Paape, hoogleraar corporate governance aan Nyenrode Business Universiteit, de taak om te verkennen waar zijn collega- wetenschappers het over eens kunnen worden. 

Opvattingen over wat we als samenleving verwachten op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn aan verandering onderhevig. U heeft verschillende standpunten over de beste route om bedrijven mee te laten bewegen in de gewenste richting. Kunt u dat standpunt toelichten?
Lambooy:
‘Een van mijn vaste ankers is dat we in een rechtsorde leven en niet in een machtsorde. Heel veel landen in de wereld hebben op papier goede normen op het gebied van zaken als mensenrechten, arbeidsrecht, milieurecht en corruptie, maar in de praktijk zien we dat die normen lang niet altijd worden nageleefd. Dat komt doordat machtige spelers daar doorheen breken. Wetgeving – juist in de EU en andere westerse landen – kan helpen om de normatieve piketpaaltjes die we hebben gezet, te handhaven. Op die manier kan worden voorkomen dat rechtsstructuren worden uitgehold door de machtsstructuren.’
Bouwens: ‘Ik ben zeker niet tegen wetgeving, maar als overtuigd democraat ben ik wel tegen elke wetgeving die niet wordt gedragen door een meerderheid van de bevolking. Zolang de samenleving bepaalde normen niet onderschrijft, zullen mensen of organisaties er onvoldoende naar leven waardoor handhaving van de wet nagenoeg onmogelijk is. De macht om bedrijven om te turnen kan ook van klanten komen. Als er voldoende klanten opstaan die iets niet langer pikken, worden bedrijven vanzelf gedwongen te bewegen. Kijk bijvoorbeeld naar het succes van Wakker Dier in de strijd tegen plofkippen en legbatterijeieren in supermarkten.’

Overtredingen in het economisch verkeer maken duidelijk dat wetgeving genegeerd kan worden. Wat zegt dit over de macht van bedrijven?
Bouwens:
‘Het laat onder meer zien dat marktwerking het belang van burgers kan ondermijnen naarmate ondernemingen groter worden. Toen ING in de financiële crisis de hand ophield bij de minister van Financiën, was het balanstotaal van de bank 1.400 miljard, vele malen groter dan indertijd het Nederlands nationaal inkomen. Als die aandelen dan ook nog eens in een beperkt aantal handen zijn, denk aan een bedrijf als Facebook, dan krijgen die paar mensen wel erg veel macht. Dan ontstaat er een serieus probleem, want wiens wetten en normen gelden dan? Voordat je het weet, bepaalt Facebook de norm.’
Lambooy: ‘Het probleem ontstaat al eerder. Het in wetgeving verankeren van internationale normen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt sterk tegengehouden door bestaande machtsstructuren, zoals koepelorganisaties en grote bedrijven die bij ministers en Kamerleden aan tafel zitten om te lobbyen. Dat zie je ook in de Europese Unie, waar sectoren zoals de luchtvaart-, auto-, voedings- en verpakkingsindustrie geen MVO-wetgeving willen omdat het gemakkelijker is door te gaan op de oude voet. Vaak lijkt die aanpak niet op lobbyen, maar is het dat wel. Omdat bedrijven de grootste experts zijn op gebieden waarover de EU wetgeving maakt, hebben ze bijvoorbeeld ook de grootste invloed bij expertmeetings over nieuwe wetgeving, en ook als adviseur bij nieuwe projecten of aankopen. Zo wordt democratische besluitvorming sterk beïnvloed.’
Bouwens: ‘Dan kom ik toch weer terug bij de macht van de markt. Na de olieramp in de Golf van Mexico in 2010, veroorzaakt door een explosie op het door BP geëxploiteerde booreiland Deepwater Horizon, liepen klanten in eerste instantie weg. Na drie maanden waren de meeste alweer terug op één klantengroep na: de Toyota Prius-rijders. Deze “groene mensen”, zoals BP ze zelf noemde, haakten definitief af. Ze waren echter totaal onbelangrijk voor BP omdat ze slechts 2 procent van het klantenbestand vormden. Als voldoende automobilisten pressie waren blijven uitoefenen, had BP wel moeten bewegen. Een ander voorbeeld is WhatsApp van Facebook. Als mensen massaal zouden kiezen voor de privacy- vriendelijker berichtenapp Signal, zou Facebook vanzelf gedwongen worden zich aan te passen.’

Consumenten kunnen het gedrag van bedrijven dus beïnvloeden. Wanneer is het toch zinvoller om bedrijven via wet- en regelgeving te disciplineren?
Bouwens:
‘Wetgeving zou ik willen beperken tot zaken die echt meetbaar zijn, omdat een wet moet kunnen worden gehandhaafd. Een snelheidsbeperking van 100 kilometer per uur kun je meten. Het wordt voor mij een probleem als wetten en regels betrekking hebben op meer subjectieve zaken. Dan lijkt het me beter dat bedrijven met elkaar concurreren en dat de klant degene kiest die het meest maatschappelijk verantwoord bezig is. De normen vechten soms ook met elkaar. Uit een recent Frans onderzoek blijkt dat bedrijven die heel goed scoren op het aspect Social van de ESG-doelen het juist heel slecht doen op de E van Environmental. Daarom vind ik die klanten – net als de andere stakeholders waarvan een bedrijf afhankelijk is – zo belangrijk. Zij kunnen voor een geweldige push en voor meer evenwicht zorgen.’
Lambooy: ‘Ik pleit er wel degelijk voor om in het Burgerlijk Wetboek normen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen op te nemen. Ik ben het met je eens dat normen niet vaag moeten zijn, maar je kunt bijvoorbeeld heel concreet eisen dat bedrijven een klimaatplan opstellen en hun ambities kwantificeren. De resultaten moeten dan jaarlijks door een externe expert worden onderzocht. Zo kun je ook heel concreet in de wet opnemen dat bedrijven diligence- onderzoek moeten doen inzake het MVO-gedrag van hun toeleveranciers. Als een klein(er) bedrijf zelf die mogelijkheid niet heeft, kan het die taak outsourcen door alleen MVO-keurmerkproducten in te kopen.’
Bouwens: ‘Toch blijf ik de subjectieve kant daarvan problematisch vinden. Als je bijvoorbeeld alleen producten mag importeren die niet met kinderarbeid tot stand zijn gekomen, is dat door het gebruik van subcontractors gewoon heel ingewikkeld te controleren. Nike doet er al sinds 1993 onderzoek naar en heeft het nog steeds niet helemaal in kaart. Het schijnt echt niet zo gemakkelijk te zijn om elk risico uit te sluiten.’
Lambooy: ‘Ik vind dat niet subjectief. Het is een feitelijke constatering of er in de supply chain sprake is van kinderarbeid. Het vergt onderzoek, ook naar die subcontractors, maar veel NGO’s hebben het goed in de smiezen en werken ook samen met lokale vakbonden om misstanden boven water te krijgen.’

Als je uitgaat van de macht van de markt, veronderstel je dat klanten goed kunnen beoordelen hoe een bedrijf met MVO-thema’s omgaat. Dat kan volgens mij alleen als bedrijven hierover voldoende verantwoording afleggen. Dat doen ze meestal pas als ze daar door weten regelgeving toe gedwongen worden. Met andere woorden: ontstaat er zo geen impasse?
Lambooy:
‘Dat is inderdaad het geval. Klanten gaan ervan uit dat alles wat ze in de winkel kopen, voldoet aan alle wettelijke normen, maar ze kunnen dat helemaal niet beoordelen. Als elders in de toeleveringsketen wettelijke normen op het gebied van milieu, mensenrechten, arbeidsrechten of corruptie worden overtreden, heb je in feite een “illegaal” product. Als zulke producten naar Nederland worden getransporteerd, is er ergens onderweg een zwart gat waarin alle normen worden weggezogen, want bij ons worden die producten gewoon legaal aangeboden. Denk bijvoorbeeld aan een plastic product dat gemaakt is met minachting voor het milieu omdat er chemicaliën in een rivier werden geloosd. Consumenten hebben weinig inzicht in de ecologische of sociale impact van producten en worden bovendien heel erg beïnvloed door reclame en beeldvorming. Daarnaast hebben veel mensen simpelweg weinig tijd om verantwoorde producten te zoeken als zij na hun werkdag nog even boodschappen gaan doen om thuis een maaltijd op tafel te kunnen zetten. Hoe kun je dan de verantwoordelijkheid bij die klant leggen?’
Bouwens: ‘Dat is toch een onderschatting van die klant. Ik noemde al een pressiegroep als Wakker Dier, waar winkels wel degelijk op gereageerd hebben. Er zijn ook ondernemingen die zich specifiek toeleggen op maatschappelijk verantwoord ondernemen, zoals de ASN-bank of een bedrijf als de coöperatieve verzekeringsmaatschappij Klaverblad, die op tv adverteert met de slogan “Als je maar lang genoeg gewoon blijft, word je vanzelf bijzonder”. Stel dat ASN of Klaverblad niet handelt naar het imago dat ze uitdragen… dan vallen ze echt wel door de mand.’
Lambooy: ‘Eind jaren negentig heeft de Amerikaanse rechtsgeleerde Lawrence Lessig de theorie gelanceerd dat gedrag van mensen en bedrijven wordt beïnvloed door vier factoren: het recht, de markt, sociale en culturele normen en de fysieke werkelijkheid, zoals bijvoorbeeld de nabijheid van winkels. Om gedrag te sturen, moet je aan alle vier aspecten aandacht geven.’
Bouwens: ‘Daarover zijn we het niet oneens, maar als wetgeving niet wordt gedragen door het volk en/of als ik geen objectief criterium heb om een wet te handhaven, hol ik het rechtssysteem uit.’
Lambooy: ‘Onderdeel van MVO zijn circulaire bedrijfsprocessen. Ik denk dat we het erover eens zijn dat het idee van de circulaire economie inmiddels breed wordt gedragen. Het lijkt mij dan ook tijd om dat te gaan reguleren. Om het idee te objectiveren, kun je elk afzonderlijk element ervan in kaart brengen. Bijvoorbeeld: hoeveel zoet water onttrek je – en moet je dus teruggeven – aan de grond of rivier? Hoeveel fijnstof en chemicaliën stuur je de lucht in en welke filters moet je installeren om dat te voorkomen? Hoeveel CO2 emitteer je en hoeveel bomen moet je beschermen of planten om die impact te compenseren? Hoeveel materiaal gebruik je en hoe ga je dat recyclen? Ik pleit ervoor het wettelijke begrip solventie uit te breiden en naast financiële indicatoren ook alle ecologische en sociale indicatoren in de beoordeling mee te nemen. Ik beperk mij nu even tot de ecologische impact. Pas als de ecologische belasting ongedaan is gemaakt, is er sprake van een reëel financieel plaatje, op basis waarvan beoordeeld kan worden of een bedrijf solvent is en er – bijvoorbeeld – uitkeringen aan aandeelhouders mogen worden gedaan.’
Bouwens: ‘Ik onderschrijf dat accountants ook zouden moeten kijken naar MVO-plannen van bedrijven. Zijn die realistisch en krijgen medewerkers concrete targets mee? Ik heb echter wel een zorg bij de mate waarin bedrijven acties tijdig in gang zetten. Het is nu nog heel duur om bijvoorbeeld een waterzuivering te installeren, dus bedrijven gaan vanzelf zitten wachten tot het allemaal veel goedkoper wordt – zoals dat ook met warmtepompen in huishoudens is gebeurd. Je moet wel van heel goeden huize komen om hen te bewegen niet te wachten. Het gaat niet van vandaag op morgen. Het is belangrijk om realistische termijnen aan te houden.’
Lambooy: ‘Als we van bedrijven vragen om te veranderen, moet wetgeving helder zijn en voor een lange termijn worden gemaakt. Anders kunnen ze inderdaad geen plannen maken. Daarnaast moeten we een eerlijke prijs gaan betalen, zodat er geld komt voor innovatie. In die zin mogen we bedrijven wel wat meer ondersteunen.’

Volgens de nieuwe Corporate Sustainability Reporting Directive van de Europese Unie moeten bedrijven vanaf 2023 in hun jaarverslag rapporteren over de milieu- en sociale impact van bedrijfsactiviteiten en deze informatie laten toetsen door een accountant. Dat lijkt al een beetje op een ecologische balans. Een goede zaak dus?
Lambooy:
‘Dat alle elementen die in het economisch leven een rol spelen in kaart worden gebracht en vertaald naar heldere info in jaarverslagen, lijkt me uitstekend. Het moet alleen nog veel duidelijker en uniformer qua indicatoren, zodat de assurance goed kan worden uitgevoerd.’
Bouwens: ‘Het is goed om bedrijven in de richting van duurzame investeringen te stimuleren, maar ik twijfel aan het nut van een uitgebreid duurzaamheidsrapport. Uit onderzoek weten we hoe gemakkelijk het is om aan greenwashing te doen. Hier geldt hetzelfde als bij wetgeving: Als je geen concrete criteria hebt om het aan te toetsen, kun je het ook niet handhaven.’

Het idee leeft dat dingen die goed zijn voor de wereld geld kosten. Hoe creëer je een level playing field en voorkomen we dat we onszelf uit de markt prijzen?
Bouwens:
‘Naarmate we externaliteiten zoals vervuiling daadwerkelijk in de prijs verwerken, zal een deel van de klanten uitwijken naar goedkopere alternatieven uit bijvoorbeeld China, want prijs heeft toch een grote aantrekkingskracht. Daarom is het belangrijk bedrijven tijd te geven voor de omwenteling. Het kan niet van vandaag op morgen, tenzij je de prijs van producten van elders verhoogt door importheffingen.’
Lambooy: ‘Als de prijzen bij ons reëel zijn en elders niet, moeten we de import van dergelijke producten in Europa misschien wel gaan afremmen, inderdaad door daarvoor bijvoorbeeld importheffingen te laten gelden. Uiteindelijk willen we met een circulaire economie toch naar zoveel mogelijk lokaal produceren, gebruiken en recyclen.’


Dit artikel is gepubliceerd in Management Scope 01 2022.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 15-12-2021

facebook