Pauline van der Meer Mohr over het actualiseren van de Corporate Governance Code

Pauline van der Meer Mohr over het actualiseren van de Corporate Governance Code
Een klein stapeltje, minder dan tien. Zoveel brieven verwacht Monitoring Commissie Corporate Governance Code-voorzitter Pauline van der Meer Mohr binnenkort te versturen naar vennootschappen waar ‘evident verbetering mogelijk’ is bij het naleven van de code die dit jaar geactualiseerd wordt. Van der Meer Mohr heeft geen aanwijzingen dat gebrekkige naleving voortkomt uit onwil: ‘Ik wil die bedrijven vooral helpen.’

De missie van Pauline van der Meer Mohr reikt iets verder dan het doel dat de Monitoring Commissie Corporate Governance Code zich heeft gesteld. Dat doel is duidelijk: nog dit jaar moet er een update liggen van de Nederlandse corporate governance code. De missie van Van der Meer Mohr, tegenwoordig beroepscommissaris én voorzitter van de Monitoring Commissie Corporate Governance Code, is eveneens duidelijk. De meeste ondernemingen leven de governance code heus aardig na, maar ze wil aandacht blijven vragen voor voortschrijdend inzicht in wat goed bestuur zou moeten zijn. In haar laatste jaar als commissievoorzitter wil ze, naast een voorstel voor actualisatie van de code, ook achterblijvers wijzen op hun verantwoordelijkheid om de code naar de letter én de geest na te leven. Voor naming and shaming is het nog altijd te vroeg, maar bedrijven die tekortschieten kunnen binnenkort wel – discreet – een brief van de commissie verwachten. Vriendelijk, maar duidelijk.
Charles Honée, partner bij advocatenkantoor Allen & Overy, vraagt Van der Meer Mohr hoe het ervoor staat met de code in Nederland. ‘Het grootste dilemma is natuurlijk: hoe ver wil je gaan in de code? Als vennootschappen wachten tot het wet is zijn ze rijkelijk laat. Het is beter nu vast na te denken over wat er op je afkomt.’ 

In december 2021 verscheen uw laatste rapportage over de corporate governance code. Ik meende daar af en toe wat meer invulling en interpretatie van uw kant waar te nemen. Een voorbeeld: de monitoringscommissie spreekt niet langer over ‘cultuur’ an sich, maar over het ‘creëren van een cultuur gericht op langetermijnwaardecreatie’. Waarom heeft u hiervoor gekozen?
‘Daar zit natuurlijk een gedachte achter. Als commissie kun je ervoor kiezen om alleen puur feitelijk weer te geven hoe de vennootschappen de code naleven. Neutraal en analytisch. Dat leidt dan tot interessante, ietwat academische discussies over de vraag wat cultuur precies is en hoe bestuur en commissarissen daarover zouden moeten praten. De commissie stelt voor om langetermijnwaardecreatie als centraal ordeningsprincipe te hanteren, en de bepalingen over cultuur en gedrag in samenhang te zien met visie, missie en strategie gericht op langetermijnwaardecreatie. Zo beweegt de vennootschap op een natuurlijke manier naar integrated reporting, in plaats van elke bepaling in isolement af te vinken.
Door hierop te wijzen, kan de Monitoring Commissie als het ware een nudge geven, een duwtje in de richting van een holistische benadering van de code. Het Nederlandse model gaat overigens niet zo ver als in een aantal omringende landen, waar je financial reporting councils hebt die boetes kunnen uitdelen als vennootschappen de code niet naleven. Wij hebben die bevoegdheden simpelweg niet, maar hebben wel onze verantwoordelijkheid willen nemen binnen het mandaat dat de commissie van de schragende partijen heeft gekregen. Dat betekent prikkelen en uitnodigen om de code niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest na te leven en mee te denken over de ontwikkeling van corporate governance in de toekomst.’

Zit er een groot verschil tussen letter en geest?
‘Ja, toch wel. Een heleboel vennootschappen leven de code op papier prima na. We scoren al jarenlang Noord-Koreaanse percentages: 95 of 96 procent van de bedrijven leeft de code na. Dat is op zich prachtig, maar als je wat meer de diepte in gaat zie je dat er ondanks die mooie nalevingspercentages nog veel te winnen is. Er zijn nog veel onduidelijkheden of vragen over de invulling, vragen over definities. Alleen al het begrip langetermijnwaardecreatie is een term die voor verschillende uitleg vatbaar blijkt. Daar worstelen sommige vennootschappen mee.
Datzelfde geldt voor de vraag wat de maatschappelijke rol is van een bedrijf of organisatie. De maatschappij gaat steeds meer verwachten van bestuurders. Hoe verhoudt een bedrijf zich tot die maatschappij? En wat betekent dat dan in de zin van goed bestuur? Dat zijn best grote, ingewikkelde vragen, die je niet zomaar even beantwoordt. Sommige bedrijven zijn glashelder over hun purpose, maar dat geldt lang niet voor alle bedrijven die onder de code vallen. Ook dat was voor ons reden om in ons meest recente rapport eens wat dieper in te gaan op een aantal van die thema’s.’

En dan wordt een begrip als ‘cultuur’ door u dus met reden iets verder uitgewerkt?
‘Wij hadden in eerdere rapportages al geconstateerd dat vennootschappen worstelen met een aantal gedragsbepalingen, die – naast de rapportagebepalingen – inmiddels de meerderheid van de code omvatten. Onze bevindingen tonen aan dat het lastig blijkt om goed over gedragsbepalingen te rapporteren en dat een aantal vennootschappen er dan voor kiest om de rapportage achterwege te laten. Dat mag, want de code hanteert een “pas toe of leg uit-principe”. Maar als het onduidelijk is of en hoe de vennootschap de code toepast, volstaat het niet om daar geen passende uitleg bij te verschaffen. Veronderstelde naleving is een goed principe zolang vennootschappen daadwerkelijk naleven. Er is behoefte aan nadere duiding in de code.’

U gaat de code dus beter duiden. Gaat u ook de bedrijven die de code niet voldoende naleven aanspreken?
‘Dit jaar krijgen de grootste uitbijters voor het eerst een aandachtspuntenbrief van de commissie, waarin we wijzen op de plekken waar we gebrekkige naleving hebben geconstateerd, danwel waar de kwaliteit van de uitleg achterblijft. We wijzen op bestaande aansprekende voorbeelden van hoe het anders kan, in de verwachting dat de vennootschap die tips ter harte neemt.’

Naar Frans model.
‘Ja, naar Frans model, al zijn de Fransen net weer wat strenger. Ik wil vennootschappen een concreet handvat geven om op te schuiven in de richting van bestaande good practices.’

Welke bedrijven kunnen een brief van u verwachten? En hoeveel brieven denkt u te gaan schrijven?
‘Dat ga ik u niet vertellen. De commissie heeft gekozen voor een benadering zonder naming and shaming. We hebben een aantal vennootschappen geïdentificeerd waarvan we denken dat er evident verbetering mogelijk is. Nogmaals: ik wil die bedrijven vooral helpen om de code beter na te leven. Ik heb zeker niet de ambitie om iedereen die niet optimaal presteert een brief te sturen. Het zal in eerste instantie om een klein stapeltje gaan.’

Minder dan tien brieven?
‘Zeker minder dan tien.’

Zit er onwil bij deze ondernemingen?
‘Nee, ik ga niet van onwil uit. Ik heb geen enkele aanleiding om aan te nemen dat vennootschappen de code niet serieus nemen of niet belangrijk vinden. Vaak zal het gaan om een beperkte capaciteit, of aan gebrek een goede voorbeelden.’

U nodigt bedrijven in uw rapportage uit om vaker hun dilemma’s te delen. Waarom? Wat is wat u betreft de meerwaarde daarvan?
‘Ik denk dat dilemma’s delen heel nuttig kan zijn. Relevant ook. Voor aandeelhouders, werknemers, voor andere vennootschappen, voor de maatschappij als geheel. Als stakeholder zou ik best een inkijkje willen krijgen in afwegingen bij bepaalde investeringsbeslissingen. Iedere vennootschap maakt dagelijks afwegingen. Doe je een investering wel of niet? Wil je op korte termijn waarde creëren, of kies je voor de langere termijn? Wat zijn de trade-offs en risico’s?
Aan al die beslissingen gaan discussies vooraf. Er worden afwegingen gemaakt. Natuurlijk, soms zul je je dilemma’s uit concurrentieoverwegingen niet kunnen delen. Maar in andere gevallen zou dat wel degelijk relevant kunnen zijn. Doet een oliebedrijf een investering in een upgrade van een vervuilende fabriek voor de korte termijn, of denken ze na over hun groenere langetermijnprofiel? Waarschijnlijk allebei, maar hoe valt die investeringsbeslissing uit in de context van een net zero-strategie? Door die afwegingen te delen, bied je stakeholders een blik in de bestuurskamer. Het besluitvormingsproces wordt transparanter, waardoor de vennootschap ook werkt aan vertrouwen onder belanghebbenden. En het is ook interessant voor toekomstige werknemers. Zij lezen ook de jaarverslagen en gebruiken die als bron bij hun afweging om al dan niet voor een bedrijf te willen werken.’

U schrijft in uw rapportage ook dat helderder moet worden hoe de stakeholders bij de gang van zaken worden betrokken. Maar wat verstaat u eigenlijk onder betrokkenheid? Waar begint die betrokkenheid en tot waar reikt die?
‘U snijdt hier een interessant punt aan, want dat is in de praktijk een beetje diffuus. Kijk, de Wet op de ondernemingsraden is bijvoorbeeld heel duidelijk. Daarin staat precies op welke momenten werknemers bij welke zaken betrokken moeten worden. Voor de andere stakeholders is dat minder goed omschreven. Ook de code blijft daarin op de vlakte.
De commissie zal in het komende consultatiedocument voorstellen doen om de code concreter te maken: een onderneming moet bepalen welke stakeholders relevant zijn bij het bepalen van de strategie. De vraag of je moet overschakelen op duurzame kroketten in het bedrijfsrestaurant is niet voor iedere stakeholder even interessant. Maar de vraag of je gaat investeren in een nieuwe fabriek, is dat voor een heleboel stakeholders wel degelijk. Een bedrijf moet in kaart hebben welke stakeholders op zo’n moment erbij betrokken moeten worden. En het lijkt me logisch dat dat in een stadium is waarin ze nog op een zinvolle manier kunnen meepraten.’

Ja, dat begrijp ik, maar in uw rapport lijkt u te suggereren dat stakeholders zelfs betrokken moeten worden bij het formuleren van de strategie. Dat gaat best ver.
‘Dat is wat wij als best practice zien.’

Dat is wel een novum.
‘Dat is een novum in de zin dat de Wet op de ondernemingsraden voorschrijft dat je in ieder geval je werknemers erbij betrekt. En wij zeggen: je moet verder gaan dan alleen maar die werknemers.’

Waarom?
‘Omdat wij zien dat het maatschappelijk verwachtingspatroon ten aanzien van ondernemingen zich aan het ontwikkelen is. Vroeger kreeg je gewoon een license to operate en werd er hooguit later naar wat uitleg over bepaalde keuzes gevraagd. Dat is totaal veranderd. De maatschappij verlangt en verwacht dat een vennootschap zich verhoudt tot de samenleving. Je komt niet meer weg met zelf een strategie bedenken en die later nog wel eens een keertje uitleggen. De stakeholders willen meepraten. Eisen dat ook op.’

U heeft eerder wel eens gezegd dat u geradicaliseerd bent op dit thema. U vindt dat maatschappelijke zorgplicht in de code hoort. U vindt dat het allemaal wel een tandje ambitieuzer mag. Dat lijkt me eerlijk gezegd best wel eens moeilijk. Moet u niet vaak op eieren lopen?
‘Het is niet anders dan bij andere maatschappelijke ontwikkelingen: er zullen altijd behoudende krachten zijn die op risico’s wijzen. Dat is ook goed en begrijpelijk. Als commissie proberen wij het denken over goed bestuur zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de veranderende maatschappelijke verwachtingen, zonder te ver voor de muziek uit te willen lopen.’

De code wordt dit jaar geactualiseerd. Hoe gaat u dat aanpakken?
‘In eerste instantie publiceren we een consultatiedocument. Dat zal vermoedelijk begin februari openbaar worden. We verwachten daar van verschillende partijen feedback op. Als men weet dat je bezig bent met actualisering, krijg je plotseling heel veel verzoeken om kopjes koffie te drinken. Er ligt al een vrij lange lijst met suggesties, ook bijvoorbeeld van de minister van Financiën, die naar aanleiding van het onderzoek van de Commissie Toekomst Accountancysector enkele suggesties heeft. Wij maken een schifting tussen alle ideeën op basis van een aantal criteria, bijvoorbeeld of de code de juiste plek is om die ideeën in op te nemen en of er draagvlak voor is. Voor het einde van onze termijn, eind 2022, hopen wij een geactualiseerde code te kunnen presenteren.’

Wat ziet u als uw grootste uitdaging op dit terrein?
‘Het grootste dilemma is natuurlijk: hoe ver wil je gaan in de code? Bijvoorbeeld in het codificeren van maatschappelijke verwachtingen en anticiperen op komende wetgeving uit Brussel. De meningen van bedrijven lopen op dit terrein erg uiteen. Er is bij veel partijen een grote aarzeling bij al te vergaande formuleringen. Ik snap die aarzeling overigens heel goed. Die is namelijk ingegeven door een verdergaande litigieuze samenleving. Voordat je het weet, word je als bedrijf voor de rechter gesleept met een claim dat je je eigen ambities onvoldoende waarmaakt.’

Kijk naar Shell.
‘Kijk naar Shell, kijk naar de onlangs gepresenteerde hitlist van Milieudefensie. Bedrijven zijn om begrijpelijke redenen bezorgd over die trend. Tegelijkertijd zie ik ook een onontkoombaarheid om milieu-ambities en net zero-plannen beter vast te leggen, en niet alleen vanwege de ophanden zijnde Europese Green Deal-wetgeving. Europa gaat van vennootschappen verlangen dat ze vergaande disclosures geven over hun maatschappelijke en milieu-impact. Bedrijven zullen straks de materiële negatieve effecten in de hele waardeketen moeten gaan kwantificeren. Aan uniforme rapportagestandaarden voor duurzaamheidscriteria wordt momenteel gewerkt. Veel grote ondernemingen zijn daar nog niet of nauwelijks mee bezig. Mijn stelling is: als je gaat wachten tot het wet is, dan ben je rijkelijk laat. Je kunt beter nu vast gaan nadenken over wat er op je afkomt.’

U wilt onderwerpen als langetermijnwaardecreatie, stakeholderdialoog, de rol van aandeelhouders en diversiteit verder uitwerken. Over dat laatstgenoemde thema gesproken: u bent in uw tussenrapportage heel uitgesproken. Diversiteit wordt te veel gezien als een verplicht nummer, stelt u vast… Hoe kan dat nou?
‘Vooropgesteld: ook hier is weer een enorme spreiding te zien. Voor de voorlopers is diversiteit allang geen issue meer. Ze hebben een ambitie, een plan, ze rapporteren over hetgeen is bereikt en diversiteit is onderdeel van het dagelijkse talentmanagement.
Maar er zit ook een aantal bedrijven in de achterhoede, jaar in jaar uit. Die blijven achter met zowel het formuleren van het diversiteitsbeleid als het rapporteren erover. Dan staat in het jaarverslag: we zijn ons zeer bewust van het feit dat er alleen maar mannen in onze raad van bestuur zitten. Punt. Ja? En dan? Er wordt geen enkel vervolg aan gegeven. Dan denk ik: hoe is dat nou toch mogelijk? Is er dan helemaal niets veranderd? Nou, die achterlopers kunnen dus zo’n aandachtspuntenbrief van de commissie verwachten.’

Waar hoopt u eigenlijk op als voorzitter van de monitoringscommissie? Waar moeten we heen met de code?
‘We hebben de code natuurlijk niet voor niets. In de code staat wat we met zijn allen belangrijk vinden op het terrein van de kwaliteit van de governance in Nederland, voor zover niet bij wet geregeld. Dat lijkt mij vrij wezenlijk. Mijn wens is dat wij de code onverminderd relevant weten te houden door mee te gaan met veranderende maatschappelijke verwachtingen. En dat er zowel naar de letter als naar de geest van de code gehandeld wordt. Dat de code principle-based blijft en dat vennootschappen die principes aangrijpen om de kwaliteit van hun bestuur steeds weer aan te scherpen en te verbeteren, in een continu leerproces.’


Dit artikel is gepubliceerd in Management Scope 02 2022.

Dit artikel is voor het laatst aangepast op 09-02-2022

facebook