'Transitie is een natuurlijk gegeven'

23-12-2015 | Interviewer: Peter Smink | Auteur: Paul Groothengel | Beeld: Marcel Bakker

'Transitie is een natuurlijk gegeven'

Hoewel hij twee jaar geleden afzwaaide bij Shell, volgt Jeroen van der Veer de duurzame transitie van de energiewereld op de voet.

In zijn jeugd fietste hij, op weg naar school, iedere dag langs een riviertje waarin hij van thuis absoluut niet mocht zwemmen. Te vies, te vervuild. Laatst was Jeroen van der Veer er toevallig weer en zag zwemmende kinderen en vissende mannen. Het rivierwater is weer schoon. Decennia later voorspelden doemdenkers dat de bossen het loodje zouden leggen als gevolg van de zure regen. Nu staan die bossen er nog steeds. Het is zijn antwoord op de vraag hoe ver we zijn met de transitie naar een meer duurzame economie. Hij wil maar zeggen, er is al meer gedaan en bereikt dan we soms menen.

Twee jaar geleden zwaaide Jeroen van der Veer af bij Shell, na een dienstverband van liefst 42 jaar. Van 2004 tot 2009 was hij ceo van Shell, daarna was hij nog vier jaar als commissaris aan het energieconcern verbonden. Weg of niet, de ontwikkelingen binnen de energiewereld volgt hij nog op de voet. We spreken hem op een ochtend in een Haags herenhuis waar het Platform Bèta Techniek zetelt, aan het Lange Voorhout. Van der Veer is voorzitter van de raad van toezicht van deze overheidsorganisatie, die als opdracht heeft te zorgen voor voldoende en kwalitatief goed opgeleide bèta’s en technici. Juist deze ochtend heeft Shell bekendgemaakt af te zien van verdere boringen naar olie en gas in het Noordpoolgebied bij Alaska. Hij wil daar geen commentaar op geven (‘Ik ben daar nu weg’), behalve dat Shell niet primair gestopt zal zijn vanwege milieuredenen.

Hoe zit het met de noodzaak van een verdere transitie naar duurzame energie?
‘Die transitie is alleen al noodzakelijk als je puur naar de cijfers kijkt. In 1950 waren we met drie tot vier miljard mensen, nu met zeven miljard en in 2050 zijn er naar schatting negen tot tien miljard aardbewoners. Meer mensen die bovendien steeds meer willen consumeren, reizen, noem maar op. Als je de levensstandaard op z’n minst op peil wilt houden en tegelijk de opwarming van de aarde wilt terugdringen, moet er dus nog het nodige gebeuren. Op dit moment gaan we nog vrij verkwistend om met onze natuurlijke energiebronnen. Al hebben we de afgelopen dertig jaar al flink wat energie bespaard: per eenheid bruto nationaal product besparen we jaarlijks een procent energie; als je dankzij de toepassing van nieuwe technologie dat percentage zou kunnen verhogen naar pakweg 1,5 procent per jaar, boek je over dertig jaar gemeten al een enorme vooruitgang. De stelling dat we met z’n allen niks aan het milieu hebben gedaan, klopt gewoon niet. Kijk maar naar de feiten. Maar het gaat om onze toekomst: als je het hebt over een transitie naar een duurzame economie, dan leg ik dat – gezien onze groeiende wereldbevolking plus de verwachte klimaatverandering – vooral uit als een gewenste versnelling van die transitie.’


In december vindt in Parijs de 21ste VN-klimaatconferentie plaats. Men zegt: Parijs is het punt waar de wereld nog net op tijd kan ingrijpen. Mee eens?
‘Nu ingrijpen is beter dan later. Kijk, in Europa práten we veel over het klimaat. We zijn al tien jaar bezig om een goedwerkend systeem van handel in emissierechten, het zogenaamde ETS-systeem, op poten te krijgen. Dat is nog steeds totaal niet gelukt. Ondertussen hebben de Amerikanen, die het Verdrag van Kyoto nooit getekend hebben, voor hun elektriciteitproductie kolen op grote schaal vervangen door het veel schonere schaliegas. En ze hebben strenge regelgeving op milieugebied. Dus ja, de Amerikanen hebben wel een punt als ze constateren dat Europeanen wel veel praten over het milieu, maar inmiddels wel meer kolen zijn gaan verbruiken. Ik hoop dat de klimaatconferentie in Parijs ervoor zorgt dat we in Europa eindelijk stappen gaan maken om het ETS-systeem goed van de grond te krijgen.’


Wat zou daarvoor uw oplossing zijn?
‘Ik heb al vaker gezegd dat ik voor een soort Europese bank ben die de CO2-rechten uitgeeft en de prijs daarvan, à la de ECB, waar nodig kan beïnvloeden. Hoe? Door te variëren in het aanbod, in het toewijzen van CO2-rechten aan Europese landen.’


Veel landen claimen dat hun concurrentiepositie zou verzwakken als ze meer moeten betalen voor de uitstoot van CO2...
‘Inderdaad, maar dan zou je de opbrengst van die Europese bank deels kunnen gebruiken voor die bedrijfstakken die echt op mondiale schaal moeten concurreren. Zoals staal en chemie. Voor veel andere bedrijfstakken geldt dat argument niet of nauwelijks, omdat ze vooral binnen Europa actief zijn.’


Ziet u ook andere mogelijkheden om de uitstoot van CO2 te reduceren?
‘De politiek is er opvallend goed in om bedrijven, die al goed presteren op dit gebied, op kosten te jagen met additionele regelgeving waarmee hooguit marginale verbeteringen kunnen worden behaald. Zo is onze Nederlandse basischemie vergeleken met het buitenland al behoorlijk energie-efficiënt. Het kost relatief veel geld om die sector verder te laten verbeteren. Terwijl je een veel grotere sprong voorwaarts zou kunnen maken door de slechtste fabrieken in Europa te sluiten. De CO2-uitstoot is immers geen nationaal probleem. Wat voor de basischemie geldt, geldt binnen Europa overigens ook voor raffinaderijen. Maar ja, de politiek beslist dit soort zaken vooralsnog vooral op nationaal niveau, dat is een groot nadeel. In de VS kennen ze dit probleem van zo’n regionale lappendeken minder.

Andere mogelijkheden om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen: zwaarder inzetten op nieuwe technologie en oppassen met subsidiëring. Daar ben ik niet a priori tegen, maar doe het dan goed. Subsidieer bijvoorbeeld nieuwe technologie in plaats van te dure installaties, zoals nu gebeurt bij offshore windparken; daarbij moet de overheid ook goed nadenken waarom ze wel windenergie subsidieert, maar bijvoorbeeld niet getijde-energie. Dat heeft toch iets oneerlijks. Bij subsidiëring is het de kunst om het generiek te houden, dat kan in feite alleen door de output van duurzame energiebronnen te subsidiëren. Verder hebben we de bestaande woningen in Nederland, waarvan het gros nog steeds niet goed is geïsoleerd. Het is doodzonde dat we vanuit de overheid de crisis niet hebben gebruikt om huizen verder te isoleren. Dat gaat nog steeds veel te traag, waardoor het behalen van de klimaatdoelstellingen, in het Nationale Energieakkoord vastgesteld op een aandeel van veertien procent duurzame energie in 2020, uit beeld verdwijnt.’


Welke energiebronnen ziet u als de winnaars van de komende jaren?
‘Ik onderscheid er drie. Ten eerste zonne-energie. Het kost standaard tussen de dertig en vijftig jaar om een nieuwe technologie op grote schaal effectief te laten zijn. Is dat lang? Vergis je niet, het duurde een slordige twintig jaar voor de mobiele telefoon een significante penetratiegraad had bereikt. En dan is de installatie van zonnepanelen wel een stuk complexer. Het zal dan ook nog de nodige jaren vergen om de miljoenen daken van Nederlandse huizen en bedrijven vol te leggen met zonnepanelen voor de opwek van elektriciteit. Ten tweede denk ik dat aardgas een groot marktaandeel zal houden. Waarom? Omdat het relatief schoner is dan andere fossiele brandstoffen als kolen en olie, omdat het gemakkelijk is in gebruik en transport en omdat de wereld inmiddels vol ligt met een enorme spaghetti van pijpleidingen, waardoor we gas moeiteloos kunnen transporteren. Als derde zie ik potentie in nieuwe vormen van kernenergie waarbij je geen kernafval meer hebt. De technologie is al bekend, maar zie het maar eens commercieel werkend te krijgen.’


Als we kijken naar de consumentenkant, verwacht u dan veel van een pull-effect waardoor er meer vraag ontstaat naar duurzame energie?
‘Mijn ervaring is dat mensen duurzaamheid en milieubewust handelen heel belangrijk vinden, maar dat ze er tegelijkertijd persoonlijk niet al te veel geld voor over hebben. Dat is gewoon de realiteit. Niet alleen in Nederland, maar overal. Dat is uiteraard geen reden om bij de pakken neer te gaan zitten en initiatieven op gebied van verduurzaming te ontmoedigen.’


Wat is in dat verband het belang van r&d? Knijpen bedrijven daar terecht in als het crisis is?
‘Je kunt niet zonder innovatie. Toen ik ceo van Shell werd, was ons onderzoeksbudget 400 miljoen euro. Vijf jaar later was dat 1.200 miljoen. Bij zo’n verhoging moet je heel alert blijven dat er dan ook substantieel meer goede ideeën loskomen, dat men niet blind slechte ideeën gaat recyclen. En de topleiding moet inhoudelijk precies weten wat er in al die laboratoria gaande is, echte interesse hebben in r&d. Dat is gelukkig meestal wel het geval, is mijn ervaring. Zelf ga ik nu in mijn rol van commissaris ook geregeld langs bij de r&d-afdelingen van de bedrijven waar ik toezicht op houd. Maar dat laat onverlet dat veel niet-succesvolle researchprogramma’s vaak te laat worden afgekapt. Lang niet alles wat je op r&d-gebied begint, voldoet aan de verwachtingen, bovendien krijg je altijd te maken met onverwachte tegenslagen. Maar het is de aard van onderzoekers om tegen de top te zeggen: ‘We hebben nu wel dit of dat probleem, maar een mogelijke oplossing is…’ Ze denken altijd in alternatieven en oplossingen. Dat is op zich te prijzen. De top moet dan de afweging maken: doorgaan of stoppen. Het middenkader vindt dit soort beslissingen heel moeilijk om te maken, heeft meestal weinig trek om miljoenen op een r&d-project te moeten afschrijven. Daar ligt dus een taak voor het topmanagement.’


Hoe ziet de brandstofmix er over veertig jaar uit? Leggen de fossiele brandstoffen het bijvoorbeeld af tegen duurzame energiebronnen?
‘Ik voorzie dat het marktaandeel van olie dan gehalveerd zal zijn ten opzichte van nu. En dan gaat het om zeer grote aantallen: op de top was olie goed voor een marktaandeel van veertig procent; dat zal terugzakken tot onder de twintig procent. Olie zal voornamelijk nog gebruikt worden voor transport, chemie en de productie van smeerolie. Het marktaandeel van gas, nu zo’n vijfentwintig procent, zal gelijkblijven om de redenen die ik zojuist al noemde. De grote onbekende is steenkool. Dat is nu vrij goedkoop, maar als er te zijner tijd een hoog prijskaartje hangt aan de uitstoot van CO2, dan straf je de inzet van kolen en bevorder je automatisch het gebruik van duurzame energiebronnen. Het aandeel van die laatste groep zal sowieso flink toenemen.’


Wat is de rol van het bedrijfsleven in de transitie naar een meer duurzame energie?
‘Niet alleen energieproducenten en leveranciers, ieder bedrijf moet continu uitgaan van transitie, en daarop inspelen. Transitie is een natuurlijk gegeven. Dat blijkt ook wel: er zijn nauwelijks bedrijven die nu precies hetzelfde doen als vijftig jaar geleden en die nog steeds winst maken. Als je almaar hetzelfde blijft doen, verdien je ieder jaar iets minder en sterf je uiteindelijk af. Neem robotisering. Menigeen roept dat dat banen gaat kosten. Onzin. Als je als land niet meedoet, kóst het je juist banen. Want als je inzet op robotisering, zorgt dat voor meer kennis en verdien je geld met productie, de export en het onderhoud van robots. En dan schep je banen. Het zijn immers de mensen die die robots moeten gaan programmeren. In de energiesector betekent transitie bijvoorbeeld dat je tijdig moet inzetten op nieuwe technologie, dat je daar de kansen pakt.’


Welke bedrijven hebben die transitie goed opgepakt?
‘DSM is natuurlijk een schoolvoorbeeld. Begonnen in de steenkolen en via een aantal tussenstappen in de life sciences beland. Philips begon met licht, deed ook wit sanitair en is nu producent van health tech. En Shell begon ooit in de olie, maar is nu groter in gas dan in olie en verkent de inzet van biobrandstoffen. Met als volgende stap wellicht biobased chemie. Ik moet in dit verband altijd denken aan het boek van Arie de Geus, The Living Company. Daarin beschrijft hij dat bedrijven die langer dan honderd jaar bestaan, uitblinken op drie fronten. Ze hebben een open attitude ten opzichte van alles wat nieuw is en ze blijven dan ook altijd experimenteren. Ten tweede zijn ze op financieel terrein conservatief, ze smijten geen geld over de balk. Ten derde slagen ze erin om een bedrijfscultuur te creëren om het beste uit je mensen te halen.’


Dit interview is gepubliceerd in Management Scope 10 2015.

Peter Smink
Ceo en cfo Nuon.

Wat vond u van het artikel? Stem / Waardeer:



Score 5 | 3 Waarderingen

Jeroen van der Veer

Functies Jeroen van der Veer


- Commissaris Statoil
- Commissaris Boskalis
- Voorzitter Raad van Toezicht TU Delft
- President-commissaris ING Groep
- President-commissaris Philips
- Voorzitter Het Concertgebouw Fonds
- Vice-voorzitter Raad van Toezicht Nederlands Openluchtmuseum
- Bestuurslid Nationale Toneel

Peter Smink

Functies Peter Smink


- CEO Nuon
- CFO (Chief Financial Officer) Nuon
- Lid Raad van Toezicht Foundation Rural Energy Services
- Lid Raad van Toezicht Yellow & Blue Clean Energy Investments BV

Meer interviews