Duurzame durfals

Duurzame durfals
Ze zijn afkomstig uit verschillende industrieën, maar staan allemaal in de startblokken om de economie circulair te maken. Daarvoor is wél meer gevoel van urgentie en initiatief van partners nodig.

Tegen het decor van de kortgeknipte grasmat van de Amsterdam Arena vindt een gesprek plaats over de circulaire economie, ofwel een economie waarin producten en materialen worden gerepareerd, hergebruikt en gedeeld op manieren die grotere waarde creëren. Daarmee wordt radicaal gebroken met het ‘lineaire model’ waarop de huidige wereldeconomie is gebaseerd. Aan tafel zitten kopstukken: Dimitri de Vreeze, lid van de raad van bestuur van DSM, Heleen Herbert, chief commercial officer van Heijmans, Margrethe Jonkman, corporate director research & development van FrieslandCampina, Marc Zwaaneveld, ceo van Van Gansewinkel, en Guido Braam, sociaal ondernemer en eigenaar/oprichter van Powered by Meaning. Zij bieden een inkijkje in de manier waarop hun bedrijven de circulaire economie omarmen en vormgeven. Gespreksleider is Peter Lacy, global managing director sustainability services van Accenture Strategy en auteur van het onlangs verschenen boek Waste to Wealth, The Circular Economy Advantage. ‘De circulaire economie gaat niet over schaarste, maar over groei’, aldus Lacy.

Wat betekent het begrip circulaire economie voor uw onderneming?
Herbert: ‘Hoewel we de term niet vaak gebruiken, ontwikkelen we ons wel heel duidelijk in die richting. Steeds vaker leveren we onze klanten ‘gebruik’ in plaats van ‘bezit’. Zo hebben we het Nationaal Militair Museum in Soest niet alleen ontworpen en gebouwd, we nemen ook het onderhoud en de exploitatie voor de komende vijfentwintig jaar voor onze rekening. Het is dus niet ‘bouwen en wegwezen’. De keuzes in ons ontwerp hebben een direct gevolg voor onze eigen energie- en onderhoudsrekening. De incentives veranderen daardoor radicaal.’
Jonkman: ‘Ook wij zijn actief op het gebied van sustainability. Zo zetten we grote stappen op het gebied van duurzame energie en zijn we met boeren in gesprek over het omvormen van koeienmest naar biogas. We kijken niet alleen naar ons eigen bedrijf, maar naar de gehele zuivelketen: van gras tot glas. We merken dat het een onderwerp is dat mensen aanspreekt. Als we de groeiende populatie willen kunnen blijven voeden, dan moeten we eenvoudigweg wat doen. Mensen realiseren zich dat.’
Braam: ‘Voor het eerst in de geschiedenis wordt duurzaamheid niet langer afgedaan als ‘geitenwollensokkenmaterie’, maar zijn alle partijen – van boeren tot ngo’s, van bedrijven tot burgers – bereid om actie te ondernemen. De term circulaire economie wordt nog niet vaak gebezigd, maar we moeten geduldig zijn. Eerst veranderen, daarna volgt de term vanzelf. De industriële revolutie werd ook pas ruim nadat deze plaatsvond als zodanig benoemd.’
De Vreeze: ‘De circulaire economie is vooral een mindset. Het gaat over andere manieren van organiseren en over andere business- en verdienmodellen. Zo denken wij inmiddels heel anders over afval dan enkele jaren geleden. Op het moment dat je nadenkt over wat de waarde ervan kan zijn, opent zich een heel nieuw speelveld.’
Zwaaneveld: ‘Wij zeiden zeven jaar geleden al: ‘Afval bestaat niet.’ We recyclen, herwinnen schaarse grondstoffen en wekken energie en warmte op uit restafval, soms zelfs specifiek voor één klant. Zo zamelen we bijvoorbeeld kunststof en metalen in van Miele, zodat deze weer kunnen worden hergebruikt voor hun eigen nieuwe wasmachines. We zien het als onze rol om de cirkel te sluiten. Als we niets doen en onze industrie niet ingrijpend verandert, dan houdt het een keer op. Mijn generatie speelt daarin een sleutelrol. Wij kunnen bruggen slaan tussen de oudere en de jongere generatie.’

Volgens William McDonough, de Amerikaanse architect en goeroe op het gebied van duurzaam bouwen, gaat de circulaire economie vooral over creating enough for all. Waar zitten in uw industrie de grootste mogelijkheden om vorm te geven aan een circulaire economie?
Zwaaneveld: ‘Door op een andere manier te kijken naar ownership. Als we het concept van ‘hebben’ loslaten, kunnen we aanzienlijk duurzamer zijn. Een aansprekend voorbeeld is Philips, dat aan Schiphol geen lampen verkoopt, maar ‘circulaire verlichting’, waarbij Schiphol het licht in gebruik krijgt van Philips. Philips blijft de eigenaar van de armaturen en installaties. Wij helpen als verbindende partner daarin mee om grondstoffen in cycli te houden.’
De Vreeze: ‘Wij zijn actief in voeding en vitamines, maar ook in verpakkingen. We weten dat maar liefst een derde van het voedsel in de wereld wordt weggegooid, omdat de producten bijvoorbeeld over de datum zijn. Er valt op dit punt veel winst te behalen. Het goede nieuws is dat onze industrie bezig is met smart packaging, waarbij een sensor wordt geplaatst in de verpakkingsfolie die het voedingsproduct veiliger maakt en tevens meet of het nog eetbaar is. Met zo’n ontwikkeling alleen al kunnen we het voedselafval reduceren tot tien procent.’
Braam: ‘Als ik voor de economie als geheel spreek, zien we ook dematerialisering plaatsvinden. Diensten en producten worden steeds virtueler en bieden consumenten bovendien extra waarde, waardoor ze aantrekkelijk zijn. Dat is een major shift. Neem een dienst als Spotify. Je koopt geen fysieke cd’s meer, maar je hebt voor een bedrag per maand toegang tot alle muziek.’
Jonkman: ‘Keek onze industrie bij afval- en bijstromen in het verleden vooral naar de mogelijkheden van fysisch chemische reacties, tegenwoordig kijken we veel meer naar de mogelijkheden die de natuur biedt voor nieuwe producten. Daar liggen nog volop kansen. We kunnen echter alleen maar kansen creëren ten bate van de circulaire economie als we samenwerken. Technologie is zo complex, dat kunnen bedrijven nooit eigenhandig ten volle benutten. We hebben elkaars kennis en data nodig om echt verder te kunnen komen.’
Herbert: ‘In onze industrie zie ik vooral kansen in de manier waarop we naar onze bijdragen kijken. Door een integrale aanpak voor te stellen, verbeteren we de kwaliteit van de totale ruimtelijke omgeving. Waarom zou je bijvoorbeeld eerst een snelweg aanleggen en daarna een verlies aan natuurwaarde compenseren, als je ook natuurinclusief kunt bouwen? Te krappe kaders leiden tot suboptimale oplossingen. Zo hebben wij in onze aanbieding van het ontwerp van de nieuwe A12 Veenendaal – Ede – Grijsoord ook een bijzondere inrichting van de bermen meegenomen. Via een aantal corridors worden verschillende natuurgebieden met elkaar verbonden. Zo werken we niet alleen aan de weg, maar dragen we ook bij aan de kwaliteit van de natuur. Door producten inclusive te maken, kun je duurzame oplossingen creëren.’

De eerste stappen voor een circulaire economie worden her en der gezet, veelal gedreven door digitale ontwikkelingen. Maar de bewegingen zijn op de schaal van de wereldeconomie nog marginaal. Wat moet er gebeuren om het concept wereldwijd echt van de grond te krijgen? Wat zou een gamechanger zijn?
Zwaaneveld: ‘Wanneer de overheid maatregelen gaat treffen waardoor bedrijven duurzamer kunnen opereren. Ik geef een voorbeeld. Premier Rutte riep bedrijven tijdens zijn speech voor de VN op om meer aan duurzaamheid te doen. Wat blijkt? Maar liefst vijftig procent van de bedrijven in Nederland doet niets met afval. Dat blijkt uit de Nationale Afvaltest voor Bedrijven die van Gansewinkel heeft gelanceerd. Dus ja, daar heeft de minister-president gelijk in. Ook de overheid, zelf een van de grootste inkopers, zou daarin zelf veel meer het voortouw moeten nemen door tenders niet vooral te beoordelen op prijs, maar op kwaliteit, innovatie en circulariteit. En dan niet alleen op wat er geschreven wordt, maar ook of partijen dat echt waar kunnen maken. Wanneer dat zou veranderen, kan er veel gebeuren. En dat is heel erg nodig.’
De Vreeze: ‘Ook ik geloof sterk in de kracht van regelgeving, samen met het bedrijfsleven werken aan een betere wereld. Neem watergedragen verf. Dat werd pas echt gemeengoed toen de overheid dit in 2000 verplicht ging stellen voor verfwerk binnenshuis. Daarvoor was het al op de markt, maar de industrie wilde er niet aan. Regelgeving helpt dan.’
Braam: ‘Mee eens. Bedrijven zetten vaak niet de volgende stap omdat er te veel kosten en risico’s aan kleven. Wanneer hiervoor incentives worden gecreëerd, zetten bedrijven die stappen wél sneller. Er zijn volop kansen en mogelijkheden. We moeten niet vast blijven zitten, maar vooruit blijven gaan.’

Jonkman: ‘De overheid zou ook nóg meer kunnen doen aan het stimuleren van nieuwe technologieën. Die zijn en blijven nodig om tot een echte circulaire economie te kunnen komen. Om een voorbeeld te geven: onze nieuwe productielocatie voor melkpoeder in Borculo gaat voor haar energievoorziening gebruikmaken van duurzame olie. Deze olie wordt gewonnen uit houtsnippers door het toepassen van pyrolyse, een techniek waarbij verhitting plaatsvindt zonder zuurstof toe te voegen. Vanuit overheden moet meer aandacht komen voor deze nieuwe techniek. Daarnaast zullen bedrijven, overheden, wetenschapsinstellingen en ngo’s nog meer met elkaar samenwerken. Alleen door krachten te bundelen kunnen we verschil maken.’
Herbert: ‘Ik denk dat er geen gebrek is aan technische en creatieve ideeën. We hebben bovendien een eigen ambitie om toe te voegen in plaats van te onttrekken. Dat betekent dat we in de nabije toekomst omgevingen willen bouwen die honderd procent circulair zijn, honderd procent energieleverend en meervoudig ruimtegebruik ondersteunen. Daar zijn onze innovaties ook op gericht. En over het algemeen roepen die enthousiaste reacties op. Maar er is vooral gebrek aan ruimte om te experimenteren, aan ‘durfruimte’. Opdrachtgevers zouden kunnen helpen om die ruimte te creëren. Soms door letterlijk een plek aan te wijzen, waar we samen een living lab kunnen starten. Soms ook door de wil te tonen om samen risico’s te dragen. Als je wilt veranderen, kun je immers niet alleen garanties vragen.’

De Vreeze: ‘Wat ook helpt, is dat bedrijven erachter zullen komen dat duurzaam ondernemen commercieel bijzonder interessant is. Zo hebben wij gemeten hoe effectief onze nieuwe innovaties zijn die we als Eco+ hebben gelanceerd. Wat bleek? De producten en activiteiten onder deze paraplu waren de snelstgroeiende activiteiten in onze business, met de beste winstcijfers en met betere marges. Dat is misschien verrassend, maar als je dit principe bijvoorbeeld loslaat op de consumer goods en bedrijven voor deze producten betere marges kunnen realiseren, reken maar dat de vaart er dan in komt.’
Zwaaneveld: ‘Daarnaast moet de mindset van de consument veranderen. Als de consument gaat vragen naar duurzame, circulaire producten, dan verandert het hele systeem vanzelf. Om die reden werken wij bijvoorbeeld met ‘walking bins’ en ‘afvalobers’. Dit zijn mensen die bij bezoekers van evenementen op een ludieke manier afval inzamelen en het gesprek aangaan om ze te motiveren tot afvalscheiding. Je moet mensen wakker schudden en op ideeën brengen.’

Als u investeerder zou zijn, gaat u dan ‘short’ of ‘long’ op de stelling dat uw sector in 2020 of 2030 een circulaire economie kent? Short wil zeggen: daar geloof ik niets van, en long betekent dat u daar graag uw geld op inzet.
Zwaaneveld: ‘Op recyclinggebied zijn we nu al heel goed bezig, maar voor écht circulair is 2020 te vroeg. Daarop ga ik short. Maar 2030 moet lukken: long. De echte veranderingen zullen naar mijn mening plaatsvinden tussen 2020 en 2030.’
De Vreeze: ‘Het moét gelukt zijn in 2020. Ik ben positief over de mensheid en we kunnen niet langer wachten om het tij te keren. Dus ik ga long op 2020. Cruciaal voor het slagen daarvan is wel dat er een serieuze prijs wordt gezet op de uitstoot van kooldioxide. Dat kan een game changer zijn. Verliezen we dat momentum, dan is mijn antwoord anders.’
Braam: ‘We kunnen niet te lang wachten, maar we hebben ook tijd nodig om op grote schaal oplossingen te vinden. Ik ga short op 2020 en long op 2030. Dat zou een mooie timing zijn, omdat in 2030 maar liefst zeventig procent van de wereldpopulatie in steden leeft. Nederland kan een voortrekkersol innemen als het gaat om het vinden van duurzame oplossingen voor steden. We zijn met 17 miljoen inwoners immers geen dichtbevolkt land, maar een dunbevolkte stad. Er wonen in ons land bijvoorbeeld minder mensen dan in São Paolo. Je kunt ons vergelijken met Singapore, plus wat extra land. We kunnen de komende vijftien jaar oefenen met duurzame oplossingen voor steden en deze transporteren naar andere delen van de wereld. Dat moet voor 2030 gelukt zijn.’
Jonkman: ‘Ik ga long op 2020. Simpelweg omdat 2030 te ver weg is. We moeten scherpe doelen stellen en grote stappen zetten. Ik geloof dat het kan.’
Herbert: ‘Ik houd van het optimisme, maar tegelijkertijd realiseer ik me dat we nu al betrokken zijn bij projecten die lopen tot 2023. De tijd gaat snel en het is een illusie te denken dat er in 2020 een volledige shift heeft plaatsgevonden. Ik ga dus short op 2020, en long op 2030.’

Deze rondetafeldiscussie is gepubliceerd in Management Scope nummer 10 2015

Peter Lacy
Global managing director sustainability services van Accenture en auteur van Waste to Wealth, The Circular Economy Advantage.

 

facebook